Taalproductie uitlokken-uitdaging bieden: Uitdagende voorwerpen

Beschrijving onderwijssituatie

In de loop van de training ‘Interactievaardigheden voor taal- en denkontwikkeling’ praat stagiaire Liz over ridders en kastelen met een klein groepje van 5 kinderen uit groep 1-2. Ze heeft deze 5 kinderen en deze aanpak bewust gekozen om een paar stille kinderen aan de praat te krijgen. Liz werkt aan haar leerpunten: ‘ik laat stiltes vallen’ en ‘ik stel zonodig open en uitnodigende vragen’.Ze heeft er hier voor gekozen met een groepje te werken dat nog gering taalvaardig is in het Nederlands. Ze heeft voorwerpen meegenomen en probeert hiermee de kinderen tot inbreng uit te dagen.

Kijkvraag

Hoe stelt Liz zich op in het gesprek? Op welk manier krijgt ze kinderen aan de praat?


Videofragmenten



 

Fragment 2: uitdagende voorwerpen

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Materialen

Opdrachten

  1. Wissel uit: Geef concreet en letterlijk weer wat de 5 verschillende kinderen van het groepje bijdragen aan het gesprek. Van links naar rechts zien we de meisjes 1, 2, 3 en dan de jongens 1, 2.
  2. Wissel uit: Vergelijk nog eens het fragment 1, van Liz voor de training, met dit fragment. Wat is het belangrijkste dat  Liz veranderd heeft in haar gesprek met de kinderen?
  3. Discussie: Dit is een groepje van in het Nederlands laagtaalvaardige kinderen, vooral de meisjes zijn laagtaalvaardig. Wat kan Liz doen om hen er nog beter bij te betrekken en tot taalproductie te verleiden dan zij nu probeert?
  4. Stage: Bedenk een uitdagende start voor een gesprek in de kleine kring. Voer dit gesprek uit. Blik vervolgens terug aan de hand van de vraag: Had de start het gewenste effect? Formuleer eventuele werkpunten voor een volgende keer.

Kennisbasis

Betekenisonderhandeling is belangrijk bij het verwerven van nieuwe begrippen. Over welke begrippen hebben deze kinderen een gesprek? Welke aspecten van de woordbetekenis(sen) worden benoemd?

Taalcompetenties

Uit: Paus e.a. (2003) - Dertien doelen in een dozijn.

1: Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Subdoel 1.2: De leraar kan goede gesprekken voeren in functie van het doel en de inhoud van het gesprek én aangepast aan het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen.

 

(3) feedback geven op de talige uitingen, de schriftelijke producten en de leerprocessen van leerlingen:

  • verschillende soorten feedback geven (zowel impliciet en/of expliciet als gericht op inhoud en/of vorm), afhankelijk van het doel en de situatie;
  • aangepaste feedbackstrategieën hanteren zoals bevestigen, om verduidelijking vragen, verbeterd herhalen, uitbreiden van de inhoud,...

 

Liz geeft inhoudelijk feedback op de inbreng van de leerlingen die hen stimuleert tot actieve deelname aan het gesprek. Ze reageert geregeld met een verbaasd ‘echt waar?’ of ‘is dat zo?’ of ze herhaalt de inbreng van de kinderen met een vragende intonatie. Met zulke luisterresponsen geeft ze de beurt op een natuurlijke en stimulerende manier weer terug aan het kind.