Taalproductie uitlokken – cognitieve taalfuncties: Een probleem oplossen

Beschrijving onderwijssituatie

In de loop van de training ‘Interactievaardigheden voor taal- en denkontwikkeling’ voert Nicky een gesprek met 10 kinderen van groep 1-2 op homogeen niveau; het zijn de meest taalvaardige kinderen uit de klas.

Nicky werkt aan de leerpunten ‘stiltes laten vallen’ en ‘complexe taalfuncties’. Ze heeft de groep gesplitst in twee niveaus en werkt in dit fragment  bewust met de ‘meest taalvaardige kinderen’. Ze heeft een activiteit bedacht die prikkelt tot taalproductie en denken. Ze daagt de kinderen uit tot het verwoorden van een oplossing van een probleem.

Kijkvraag

Hoe lokt Nicky de kinderen uit? Let daarbij op de soort van activiteit en de wijze van interactie.


Videofragmenten



 

Fragment 2: Een probleem oplossen

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Materialen

Opdrachten

  1. Wissel uit: Wat is het uitdagende aan de aanpak van Nicky? Wat vraagt ze van de kinderen? Geef precies aan hoe de verschillende  kinderen hier reageren op de vraag van Nicky hoe zie je dat?
  2. Wissel uit: In hoeverre stelt Nicky de kinderen voor een echt probleem?
  3. Discussie: Vergelijk de twee fragmenten van Nicky: fragment 1: Benoemen en fragment 2: Een probleem oplossen. Wat zijn de belangrijkste verschillen? Wat doet Nicky anders? Waarin verschillen de reacties van de kinderen?
  4. Discussie: Activiteiten verschillen sterk van elkaar in de mate waarin zij uitlokken tot interactie en taal- en denkontwikkeling. Met  laagtaalvaardige kinderen is er de neiging een te weinig stimulerend niveau te kiezen (zie Nicky in de opname voor de training). Hoe zorg je voor voldoende niveau?
  5. Stage: Ontwerp een prikkelende, concrete situatie waarin kinderen worden uitgedaagd tot het oplossen van een  probleem. Voer het gesprek en maak hiervan een video-opname. Analyseer aan de hand van de opname de kwaliteit van de inbreng van de kinderen. Welke cognitieve taalfuncties hebben zij ingezet?

Kennisbasis

Redeneren is een relatief complexe cognitieve taalfunctie. Beluister de redeneringen van de kinderen nog eens goed en benoem de denkrelaties die je daarin aantreft.

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen.

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Subdoel 1.1

De leraar kan analyseren welke talige acties van hem (zoals het stellen van vragen en het geven van antwoorden en feedback) aan het gespreksdoel voldoen.

Mogelijke doelen zijn:

  • dieper ingaan op een gespreksonderwerp dat de gedachten en emoties van de leerlingen beheerst;
  • bereiken dat iedereen gemotiveerd deelneemt aan het gesprek

Nicky wil de kinderen stimuleren tot denken en tot hun gedachten uitdrukken in taal. Ze creëert een prikkelende situatie die kinderen enorm motiveert tot deelname. Met deze concrete, zichtbare situatie, stemt ze goed af op het taalvaardigheidsniveau van de kinderen. Met open vragen als ‘Wie heeft er een idee?’ nodigt ze kinderen uit hun gedachten te verwoorden. Ze neemt niet altijd genoegen met de antwoorden, door bijvoorbeeld de vraag ‘Hoe zie je dat?’ te herhalen, probeert ze meer diepgang in het gesprek aan te brengen.