Taalproductie uitlokken-cognitieve functies: Benoemen

Beschrijving onderwijssituatie

In de periode voorafgaand aan de training ‘Interactievaardigheden voor taal- en denkontwikkeling’ zit stagiaire Nicky met ongeveer de helft van de kinderen (9) uit groep 1-2 in een kring; de meeste van deze kinderen spreken thuis een andere taal. In dit groepje zitten kinderen met verschillende vaardigheidsniveaus in het Nederlands. Met deze activiteit wil Nicky werken aan woordenschatontwikkeling.

Kijkvraag

Nicky had met deze activiteit als doel begrips- en woordenschatvergroting. Wat komt daar bij de kinderen vervolgens wel en niet van terecht?



Videofragmenten



 

Fragment 1: Benoemen

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Opdrachten

  1. Wissel uit: Hoe reageren de kinderen op de vragen van Nicky? En in hoeverre gaat Nicky in op de inbreng van de kinderen? Geef een paar voorbeelden.
  2. Wissel uit: Herken je een dergelijke situatie? Wat zou jij doen in deze situatie?
  3. Wissel uit: Vergelijk dit fragment met fragment 2 ‘Een probleem oplossen’, welke verschillen zie je?
  4. Discussie: Woordenschatuitbreiding is belangrijk. Zeker ook in deze groep kinderen. Maar uitdagende gesprekken ook. Hoe had Nicky ervoor kunnen zorgen dat een gesprek over doktersspullen beter uitdaagt tot taalproductie dan in dit fragment het geval is?
  5. Stage: Ontwerp een mondelinge activiteit waarin de betekenis van een aantal nieuwe begrippen centraal staat. Besteed aandacht aan het selecteren van (vak)begrippen en het uitleggen van (vak)begrippen. Voer deze activiteit uit en reflecteer vanuit je woordenschatdoelen.

Kennisbasis

Wanneer je begrippen uitlegt is het belangrijk dit kort en krachtig te doen. Op welke manier legt Nicky het begrip ‘schort’ uit? Hoe had ze dat korter en krachtiger kunnen doen?

In een didactisch model voor woordenschatuitbreiding worden de stappen beschreven die je als leraar neemt tijdens het aanleren van woorden. Welke fasen van het model zie je in dit fragment terug?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Subdoel 1.2

De leraar kan goede gesprekken voeren in functie van het doel en de inhoud van het gesprek én aangepast aan het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen.

Goede gesprekken voeren betekent:

  • zorgen voor een begrijpelijk en interactief taalaanbod:
  • aangepaste inhoud, vorm en contextuele inbedding;
  • gericht op volwaardige communicatie en met oog voor betekenisonderhandeling

 

Nicky realiseert met dit gesprek weliswaar begrijpelijk en interactief taalaanbod, wanneer ze later deze opname terugziet, realiseert ze zich, dat het gesprek dat ze hier voert zich op een té basaal niveau afspeelt. Het gaat vaak om niet meer dan labelen. Bovendien  benoemt  Nicky het door haar uitgelokte woord ‘schort’ uiteindelijk zelf.