Taalproductie uitlokken: een gesprek structureren

Beschrijving onderwijssituatie

Anna zit in de grote kring met een zeer heterogeen samengestelde groep 1-2. Anna bespreekt een prentenboek over een lieveheersbeestje. Wanneer het onderwerp verschuift naar andere insecten, zoals bijen en wespen, die je pijnlijk kunnen prikken, raken alle kinderen betrokken en vertellen wat ze met dergelijke insecten meegemaakt hebben.

Kijkvragen

  1. Hoe nodigt Anna de kinderen uit tot verder denken en praten?
  2. Welke kinderen zijn bij het gesprek betrokken en welke niet?


Videofragmenten



 

Transcript 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Opdrachten

  1. Wissel uit: Noteer welke informatie de verschillende kinderen achtereenvolgens naar voren brengen.
  2. Discussie: Wat is het precies in het gesprek dat maakt dat de kinderen aan de praat raken?
  3. Discussie: Wat werkt belemmerend voor de actieve deelname van alle kinderen aan een dergelijk gesprek? Hoe zou je deze belemmering kunnen opvangen?
  4. Discussie: Anna en de kinderen zijn inmiddels flink afgedwaald van het prentenboek over een lieveheersbeestje. Hoe schipper je tussen levendige interactie en koersloosheid?
  5. Stage: Bereid een kringgesprek voor over een onderwerp uit een prentenboek of uit een zaakvak en plan daarin ook een fase waarin je kinderen over hun eigen ervaringen laat praten. Reflecteer hoe het jou gelukt is om goede interactie te realiseren en tegelijk het gespreksonderwerp vast te houden.

Kennisbasis

Wanneer mensen spreken, hebben ze bewust of onbewust een bepaald spreekdoel. Welke spreekdoelen herken je bij de kinderen? Hanteert juf Anna ook verschillende doelen bij het spreken? Herken je daarnaast bij haar ook doelen op het gebied van luisteren?
Bij betekenisonderhandeling gaat het erom samen actief te bedenken en te verwoorden wat een bepaald begrip nu precies inhoudt.  Over welke begrippen vindt in dit fragment betekenisonderhandeling plaats?
Aan dit gesprek nemen kinderen deel van wie de moedertaal Nederlands is, maar ook kinderen die het Nederlands als tweede taal verwerven. Welke verschillen tussen deze leerlingen merk je op?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Subdoel 1.1 De leraar kan analyseren welke talige acties van hem (zoals het stellen van vragen en het geven van antwoorden en feedback) aan het gespreksdoel voldoen.

Mogelijke doelen zijn:

  • realiseren van een bepaalde leerinhoud in een betekenisonderhandelingsgsprek;
  • dieper ingaan op een gespreksonderwerp dat de gedachten en emoties van de leerlingen beheerst;
  • bereiken dat iedereen gemotiveerd deelneemt aan het gesprek;

1.3 De leraar kan gesprekken bijsturen in functie van het gespreksdoel, de gesprekspartners en de situatie.

Anna nodigt door open en uitnodigende vragen en luisterresponsen de kinderen uit tot verder denken en praten. Samen met de kinderen gaat ze dieper in op het onderwerp ‘wespensteken’. Ze organiseert op deze manier betekenisonderhandeling. Het is duidelijk dat dit onderwerp een aantal kinderen hevig boeit. Dat geldt echter niet voor alle deelnemers aan het gesprek. De bijdragen van de kinderen gaan alle kanten op. Het lukt Anna niet goed het gesprek bij te sturen.