Taalproductie uitlokken - ruimte geven: Voorspellende vragen stellen

Beschrijving onderwijssituatie

We zien José in de loop van de training ‘Interactievaardigheden voor taal- en denkontwikkeling’. Stagiaire José zit met een klein groepje van 6 kinderen uit groep 1 apart van de rest van de groep. Van links naar rechts in beeld zien we: Max, Michelle, Lisa, Abdelkader, Koen, Tycho.

Ze werkt aan de leerpunten ‘Ik laat stiltes vallen’ en ‘Ik stel zonodig open en uitnodigende vragen’. Zij wil de kinderen meer ruimte bieden voor een eigen inbreng. Ze laat de kinderen aan de hand van de illustraties voorspellingen doen over wat er in het prentenboek Douwe Das, waar ben je? zal gebeuren en ze vraagt waarom de kinderen denken dat dat gaat gebeuren.

Kijkvraag

José stelt uitnodigende vragen en doet ook een prikkelende bewering, waarna ze even stil blijft. Wat roept dit aan reacties bij de kinderen op?


Videofragmenten



 

Fragment 2: Voorspellende vragen stellen

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Materialen

  • Susan Varley (1995), Douwe das blijft altijd bij ons, Rotterdam: Lemniscaat

Opdrachten

  1. Wissel uit: Hoe komt het dat de kinderen in dit fragment aan het denken en praten gaan?
  2. Wissel uit: Wat zijn overeenkomsten en wat zijn de verschillen met fragment 1 waarin Josee interactief voorleest?
  3. Discussie: Interactief voorlezen suggereert dat er voor kinderen veel ruimte is voor interactie. Toch is het vaak vooral nog de leerkracht die aan het woord is. Hoe maak je van  ‘interactief voorlezen’ een echt interactieve werkwijze? Waar moet je dan als leerkracht voor zorgen?
  4. Stage: Voer een gesprek in de kleine kring en laat je observeren aan de hand van Combilist Deel B. onderdeel 3 of maak een video-opname en observeer jezelf. Noteer naar aanleiding daarvan werkpunten.

Kennisbasis

Met het stellen van vragen kun je een beroep doen op verschillende (cognitieve) taalfuncties. Noteer de vragen die José stelt in dit fragment en categoriseer die in soorten vragen. Met deze vragen lokt José taalproductie uit. Tot welke (cognitieve) taalfuncties nodigt José de leerlingen uit met deze vragen?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

José voert met een groep kleuters een gesprek over een prentenboek. Ze laat de kinderen voorspellingen doen over het boek en ze laat leerlingen doordenken over deze voorspellingen. Het zijn de ideeën van de kinderen die centraal staan in dit gesprek.

José heeft een duidelijk gespreksdoel voor ogen. Ze wil kinderen uitdagen om na te denken over hun eigen voorspellingen om zo hun denk- en taalontwikkeling te stimuleren. Ze stemt haar eigen inbreng daarop af. Ze stelt uitdagende vragen en een prikkelende uitspraak gevolgd door een stilte. Hiermee stimuleert ze de kinderen een actieve bijdrage te leveren aan het gesprek. Door stiltes te laten vallen, ‘waarom’- en ‘hoe’-vragen te stellen, of door juist geen vragen te stellen maar een prikkelende bewering te doen, daagt ze de kinderen uit tot redeneren.

José gaat niet door op initiatieven van de kinderen wanneer deze geen inhoudelijke bijdrage aan het gesprek vormen (“Nou zit je er een grapje van te maken…”).