Taalproductie uitlokken: ruimte voor een nieuw onderwerp

Beschrijving onderwijssituatie

Stagiaire José werkt met een groepje van 6 kinderen uit groep 1. Van links naar rechts in beeld: Max, Michelle, Lisa, Abdelkader, Koen, Tycho. José wil net de activiteit afsluiten en op dat moment komen de kinderen nog met iets aanzetten: vlaggetjes. José sluit zich bij deze inbreng aan en breidt het gesprek nog even uit.

Kijkvraag

Welke vragen stelt José en welke opmerkingen maakt zij bij deze uitbreiding van het gesprek?


Videofragmenten



 

Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Opdrachten

  1. Wissel uit: Welke boodschappen brengen de verschillende kinderen naar voren.
  2. Discussie: Op welke manier zou José daar in een volgend gesprek op kunnen aansluiten? Wat zou jij haar adviseren?
  3. Discussie: Het gebeurt heel vaak dat kinderen pas goed los komen op het moment dat een leerkracht al af wil sluiten. Alsof ze enige tijd nodig hebben om ‘warm te draaien’. Hoeveel ruimte geef je kinderen als de tijd om is? Hoe zorg ervoor je dat je hun inbreng hierna niet verloren laat gaan?
  4. Stage: Probeer de komende stagedagen wanneer je gesprekken voert met kinderen, ruimte te geven aan onderwerpen die de kinderen zelf inbrengen, ook wanneer jou dat misschien niet zo goed uitkomt. Blik aan het einde van de stagedag steeds terug en vraag je af of je een dergelijk moment beleefd hebt. Neem je eigen handelen en het effect daarvan op de kinderen nog eens onder de loep.

Kennisbasis

In gesprekken met leerlingen is het vooral de bedoeling dat je als leraar taalproductie uitlokt. Welke middelen kun je daarbij inzetten en waarvan maakt José in dit fragment gebruik?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Subdoel 1.1: De leraar kan analyseren welke talige acties van hem (zoals het stellen van vragen en het geven van antwoorden en feedback) aan het gespreksdoel voldoen.

Mogelijke doelen zijn:

  • dieper ingaan op een gespreksonderwerp dat de gedachten en emoties van de leerlingen beheerst;

Subdoel 1.2 De leraar kan goede gesprekken voeren in functie van het doel en de inhoud van het gesprek én aangepast aan het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen.

  • taalproductie stimuleren
  • ruimte scheppen voor veel bijdragen en initiatieven van leerlingen.  

In dit fragment zie je hoe José ruimte maakt voor een gespreksonderwerp dat één van de leerlingen inbrengt: ‘Ik zie vlaggetjes’. Ze gaat daar op in door een vraag te stellen: ‘Waarom is dat dan, vlaggetjes?’ en ruimte te geven voor diverse reacties.