Het maken van een woordweb in de geschiedenisles

Beschrijving onderwijssituatie

Janneke, leerkracht van groep 6, geeft een geschiedenisles over de middeleeuwen. Door kinderen in groepjes een woordweb te laten maken, activeert ze de voorkennis rondom dit onderwerp. De opdracht voor de leerlingen is om alles op te schrijven wat ze nog weten van de middeleeuwen. Ieder groepje bestaat uit een leider, een schrijver en de ‘controleurs’ die de tijd bewaken en kijken of de taken van de leider en schrijver goed uitgevoerd worden.

(Opmerking: de geluidskwaliteit van het filmfragment is niet optimaal, maak daarom goed gebruik van het transcript).

Kijkvraag

Welke rol hebben de leerlingen in dit groepje? Komt iedereen ongeveer evenveel aan het woord?



Videofragment



 

Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Opdrachten

  1. Welke verschillen tussen de leerlingen zie je als het gaat om hun talige inbreng? Let daarbij op:
    a. De manier van communiceren met de andere groepsleden 
    b. De manier van communiceren met de leerkracht
    c. Evenwicht tussen spreken en luisteren
    d. Het aantal genoemde begrippen
    e. Het niveau van de genoemde begrippen
  2. De taak van de groepsleider was om ervoor te zorgen dat de groepsleden om de beurt iets zeggen, iedereen mag uitpraten en iedereen aan de beurt komt (zie ook fragment 1 bij het praktijkvoorbeeld: een woordweb over de middeleeuwen). Op welk(e) gebied(en) gaat het hier mis? Hoe zou jij hierop reageren, wat zou je kunnen zeggen om het proces bij te sturen?
  3. Op welke leerling(en) reageert de leerkracht vooral? Kun je dat verklaren? Wat voor reacties zou ze op de andere leerling(en) kunnen geven?

Kennisbasis

  1. In het fragment zie je dat een leerling een poging doet tot woordenschatopbouw. Op welk moment vindt dit plaats? Om wat voor soort betekenisrelatie gaat het?
  2. De docent geeft feedback op wat de leerlingen inbrengen en al opgeschreven hebben. Als je let op de kenmerken van goede feedback, wat vind je dan goed aan haar manier van feedback geven? Wat zou je zelf anders doen?
  3. In een ideale groepssituatie geven de leerlingen ook feedback op elkaar. Gebeurt dit hier ook? Zo ja, door wie? Wat zou je kunnen doen en zeggen om de leerlingen meer feedback op elkaar te laten geven?
  4. De jongen met de rol van schrijver komt nu nauwelijks aan het woord. Hoe zou de leerkracht bij hem meer taalproductie kunnen uitlokken?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

In dit gesprek over woorden die bij het onderwerp ‘middeleeuwen’ passen, neemt de leerkracht een observerende en ondersteunende rol in. Ze leidt het gesprek niet, maar volgt wat de leerlingen zeggen. Het is goed dat de leerlingen ruimte krijgen om met elkaar te overleggen en feedback te geven, maar de leerkracht zou wel vragen kunnen stellen. Zo zou de opmerking van een leerling dat je beter ‘bedienden’ kunt zeggen, omdat je dan meerdere begrippen in één keer vat, een goede aanleiding zijn om door te vragen. Op die manier wordt het verband tussen de begrippen voor alle groepsleden expliciet gemaakt.