Taalgericht rekenonderwijs in de schakelklas

Beschrijving onderwijssituatie

Basisschool Samenspel in Amsterdam zet in op woordenschatonderwijs. Ze doen mee met de Taalpilots; een taalleesverbetertraject van Projectbureau Kwaliteit van de PO-Raad.
Groep 7 is een schakelklas waarin extra aandacht wordt besteed aan taal en rekenen. Omdat taal een grote rol speelt bij realistisch rekenen, worden taal- en rekenonderwijs gecombineerd. Het doel daarbij is dat leerlingen meer inzicht krijgen in de rekenopgaven en tegelijkertijd hun woordenschat vergroten.
Angèlle Bonger laat zien hoe zij rekenbegrippen aanbiedt in een speciale taal-rekenles.

Kijkvragen

  • Welke twee argumenten noemt de directrice hier om taal en rekenen met elkaar te combineren?
  • Welke rekenbegrippen komen aan bod?

Videofragment



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.



Opdrachten

  1. Je ziet dat leerlingen een rekenopgave moeten bedenken in de vorm van een verhaal rondom een bepaald rekenbegrip (omschreven getallen). Welke kennis en vaardigheden op het gebied van taal zijn hiervoor nodig?
  2. Wat vind je van de manier waarop de leerkracht taal in de rekenles verwerkt? Heb je zelf ideeën over hoe je dit in de praktijk kunt doen?
  3. Zoek in de rekenmethode op je stageschool naar een les waarin een aantal talige opdrachten (verhaalsommen) voorkomen. Welke begrippen zouden moeilijkheden kunnen opleveren? Hoe biedt je deze opdrachten op een aan, zodat de begrippen beter begrepen worden?

Kennisbasis

  1. De leerkracht selecteert de moeilijke, onbekende rekenbegrippen uit de rekenmethode en Cito-toetsen. Als je kijkt naar de geselecteerde rekenbegrippen in het filmpje, welke criteria voor het selecteren van vakbegrippen zijn hier nog meer van toepassing?
  2. Hoe worden de vakbegrippen uitgelegd? Denk je dat het de eerste keer is dat het begrip wordt besproken? Kun je nog andere manieren bedenken waarop de behandelde begrippen uitgelegd kunnen worden? En zou je deze uitleg dan voorafgaand of na de les uit het filmpje doen?
  3. Welke manieren noemt de leerkracht om taalproductie uit te lokken? Zou je dit in je eigen rekenlessen nog anders doen? Op wat voor manier?
  4. De leerkracht vertelt dat samenwerkend leren een belangrijke plaats inneemt in de taal-rekenles. Welke voorbeelden hiervan zie je in het filmpje? Wat zouden opdrachten kunnen zijn die de leerlingen in duo’s uitvoeren? 

Taalcompetenties

  1. Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met  leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Angèlle laat veel inbreng uit de leerlingen komen in deze taal-rekenles. Ze vraagt hen om een talige context te geven aan een rekenkundig begrip en dit te formuleren in een vraag aan de rest van de groep. De taak van de groep is dan om het begrip te integreren in de opgave en de som op te lossen. Angèlle ontleedt vervolgens het taalaanbod dat de leerling geeft door delen van de som naar voren te halen en nog eens te benoemen. Ze vraagt door hoe de kinderen aan hun antwoord zijn gekomen. Op deze manier kan ze controleren of het taalaanbod begrijpelijk genoeg is.
Aan zowel het verbale als het non-verbale gedrag van Angèlle is te zien dat ze erop gericht is om de leerlingen te motiveren en te stimuleren tot taalproductie. Ze geeft feedback op het vertellen van het verhaal (‘Hij heeft de vraag ook mooi gesteld’) en het gebruik van de rekenbegrippen (‘dus het woordje erbij vertelt je dat het gaat om een plussom’).
Angèlle geeft aan dat ze het belangrijk vindt dat er veel interactie is en dat de leerlingen ook met elkaar in gesprek gaan. Door naar elkaar te luisteren leren de leerlingen de inhoud van de rekenbegrippen, maar ze controleren ook of hun medeleerlingen deze begrippen goed gebruiken. 

 

  3. Mondeling opdrachten geven

De leraar kan mondeling opdrachten geven met betrekking tot klasmanagement en taakuitvoering.

De eerste opdracht die Angèlle geeft, het vertellen van een verhaaltje, wordt niet uitgebreid geëxpliciteerd. Aan het feit dat beide leerlingen gemakkelijk een verhaaltje vertellen, is te zien dat ze de opdracht vaker doen en weten wat de bedoeling is.

Angèlle geeft vervolgens de opdracht aan een andere leerling om het verhaaltje om te vormen naar een som. Daarbij realiseert ze begrijpelijk taalaanbod door stil te staan bij de onbekende woorden en/of lastige begrippen en op die manier het verhaaltje te ontleden. Daarmee gaat ze na of deze begrippen duidelijk zijn voor de kinderen. Zo kan ze zien waar nog aandacht aan besteed moet worden.