De tafel van vijf

Beschrijving onderwijssituatie

Fragment 1: Leerkracht Willie introduceert in haar groep 4 de tafel van 5. Ze gebruikt daarbij onder andere de getallenlijn. Het fragment laat een klassikale instructie zien.
Fragment 2: Leerkracht Minke werkt klassikaal met haar groep 4 aan de tafel van 5. Ze gebruikt daarbij onder andere beschrijfbare bordrondjes. Het gesprek draait om de som 9 x 5 = 45.

Kijkvragen

  • Fragmenten 1 en 2: welke hulpmiddelen gebruiken de leerkrachten om iets aan de leerlingen uit te leggen?
  • Fragmenten 1 en 2: welke overeenkomsten en verschillen zie je in het gebruik van de mandarijnen?

Videofragment

(Deze fragmenten zijn eigendom van het Freudenthal Institute for Science and Mathematics Education, Expertisecentrum voor rekenen-wiskunde van de Universiteit Utrecht)

Fragment 1

 

Fragment 2



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1. 

Fragment 2

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.



Kennisbasis

  1. Fragment 1: Willie zegt "Op deze getallenlijn, spreken we af, maken we sprongen van vijf". 'Getallenlijn' is binnen rekenen/wiskunde overduidelijk een vaktaalwoord. Maar hoe zit het met de woorden 'sprong' en 'vijf'? Licht je antwoord toe.
  2. Fragment 1: Tot drie keer toe zegt Willie dat 'er iets is afgesproken'. Kun je precies omschrijven wat daar is afgesproken? En welke taalfuncties worden met deze 'afspraken' gerealiseerd? Licht je antwoord toe.
  3. Fragment 1 en 2: In beide fragmenten staat het begrip 'vijf' centraal.
       o Inventariseer hoe dit begrip door de leerkachten wordt voorgesteld. Hoe zou je die voorstellingsvormen kunnen ordenen?
       o Op welke wijze werken deze leerkrachten aan vakbegrippen uitleggen? Welk idee over de verwerving van vakbegrippen ligt daaraan ten grondslag? 
  4. Fragment 2: Minke zegt: "Dan is dit niet het zakje met mandarijntjes, maar dan doen we net alsof dit het zakje met mandarijntjes is". Leg uit op welke manier hier sprake is van betekenisonderhandeling.
  5. Fragment 2: Minke gebruikt de bordrondjes om te 'tellen' en om 'uit te rekenen'. Wat is het verschil tussen deze twee handelingen? Gaat het bij deze termen om schooltaalwoorden of om vaktaalwoorden? Licht je antwoord toe.