Lessenserie 'Heelal' - Experimenten opzetten, uitvoeren en concluderen

Beschrijving onderwijssituatie

De groepen 3/4 van basisschool De Arabesk in Arnhem hebben een lessenserie rondom het heelal uitgevoerd. In vier lessen hebben zij de verschillende fasen van onderzoekend leren doorlopen. Daarbij stond taal en interactie centraal.
In dit fragment voert de leerkracht aan de hand van een aantal onderzoeksvragen experimenten uit. De leerlingen verwoorden wat ze zien gebeuren en beredeneren wat het antwoord op de onderzoeksvraag is.

Kijkvragen

  1. Wat weten de leerlingen al van het onderwerp ‘zwaartekracht’?
  2. Hoe reageert de leerkracht op de inbreng van de leerlingen? Wat zegt ze?

Videofragment



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

 



Materialen

De volledige lessenserie rond het Heelal groep 3/4.

Opdrachten

  1. Welke van de drie leerlingen die voorafgaand aan het experiment aan het woord komen, begrijpen volgens jou wat zwaartekracht is? En welke niet (helemaal)? Waar leid je dat uit af?
  2. Wat vind je van de reactie van de leerkracht op deze suggesties voorafgaand aan het experiment? Zou jij er ook voor kiezen om er nog niet inhoudelijk in te gaan op het begrip, maar eerst het experiment te doen?
  3. De leerkracht herhaalt vaak het antwoord dat de leerlingen geven. Denk je dat dit bijdraagt aan de begripsontwikkeling van de leerlingen? Als je kijkt naar het antwoord van Lucas na het experiment (‘[Het valt niet allebei tegelijk naar beneden,] omdat het zo snel gaat, dat het geen eens tijd heeft om naar beneden te druppelen’), hoe zou je de talige reactie van de leerkracht dan kunnen uitbreiden om met de groep tot meer begrip te komen?
  4. Aan het einde van het fragment wordt geconcludeerd dat alles wat de leerlingen gezien hebben, te maken heeft met zwaartekracht. Hoe zou jij het gesprek afronden, als je wilt controleren of de kinderen het begrip ‘zwaartekracht’ daadwerkelijk begrijpen?

Kennisbasis

  1. De leerkracht probeert betekenisonderhandeling te organiseren rond het begrip ‘zwaartekracht’. Wat doet zij om deze betekenisonderhandeling te bereiken? Wat had ze nog meer kunnen doen om de betekenis van het begrip ‘zwaartekracht’ verder te verkennen?
  2. De leerkracht geeft Job een compliment over zijn definitie van het begrip ‘zwaartekracht’ (0.24). Denk je dat hij de woordbetekenis van het begrip compleet heeft? Dragen andere leerlingen nog bij aan een uitbreiding van het begrip?
  3. Hoe zou je in vervolgactiviteiten het begrip ‘zwaartekracht’ consolideren en controleren (zie didactisch model woordenschatuitbreiding)
  4. Welke cognitieve taalfuncties kun je herkennen in het fragment? Waar leid je dat uit af?

Taalcompetenties

  1. Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

In dit fragment heeft de verwerving van het vakbegrip ‘zwaartekracht’ een belangrijke plaats. De lerares probeert betekenisonderhandeling te organiseren rond dit vakbegrip. Ze geeft leerlingen de ruimte in te brengen wat ze al weten over het begrip en reageert hierop vooral door te herhalen en de inbreng te waarderen. In deze fase geeft ze zelf nog weinig uitleg over de betekenis van het begrip.
In het experiment laat de leerkracht de leerlingen benoemen wat er gebeurt en stimuleert ze leerlingen hier een verklaring voor te geven. De leerkracht stimuleert hiermee de inzet van cognitieve taalfuncties. Aan het eind van het fragment probeert de leerkracht tot een conclusie te komen (het heeft allemaal te maken met zwaartekracht), maar dit blijft wat onduidelijk voor leerlingen. Ze had hier wat dieper op in kunnen gaan door te vragen of leerlingen nu weten wat zwaartekracht is en daar conclusies aan te verbinden.