Een woordweb over de middeleeuwen

Beschrijving onderwijssituatie

Janneke, leerkracht van groep 6, geeft een geschiedenisles over de middeleeuwen. Door kinderen in groepjes een woordweb te laten maken, activeert ze de voorkennis rondom dit onderwerp. Vervolgens bedenken de kinderen leervragen over het onderwerp: wat wil je nog weten over de middeleeuwen?

Opdracht vooraf

Aan welke woorden denk je zelf bij de middeleeuwen? Schrijf ze op en orden ze vervolgens in een woordweb. Laat hierbij zoveel mogelijk relaties zien tussen de woorden. 

Kijkvragen

Fragment 1:
1. Welke woorden zijn typisch voor een geschiedenisles?
2. Welk soort vragen stelt de leerkracht tussendoor?

Fragment 2:
1. Welke soort vragen stellen de leerlingen?
2. Welke feedback geeft de leerkracht?

Fragment 3:
1. Met welke woorden wordt het vakbegrip horige hier uitgebreid?

 



Videofragmenten



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Fragment 3

Klik hier voor het transcript bij fragment 3.



Achtergrond

De leerkracht beschrijft haar ideeën achter de les van vandaag.

Materiaal

Voorbeeld van een woordweb.

Opdrachten

  1. Bekijk het woordweb (zie Materiaal) en de bijbehorende uitleg (zie Achtergrond) van het groepje van Luuk. Vergelijk deze met jullie eigen woordweb (zie Opdracht vooraf). Welke verschillen vallen je op? Hoe kun je die verklaren?
  2. Heb je in jouw eigen onderwijspraktijk al eens gewerkt met het laten maken van een woordweb? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wat waren je ervaringen hiermee? Vind je dat de werkvorm veel oplevert?
  3. Op welke momenten en op wat voor manier probeert de leerkracht in de fragmenten relaties tussen begrippen in het woordweb aan te brengen? Hoe zou jij dit zelf bij leerlingen stimuleren?

Kennisbasis

Fragment 1:
- Bekijk het stukje over het schandblok (fragment 1). Op welke manier zie je hier de drie uitjes naar voren komen? (zie vakbegrippen uitleggen)
- Welke woordleerstrategieën zie je terug in dit fragment?
- Vergelijk de leerling-uitleg van de begrippen 'valkenier' en 'hofnar'? Welke aspecten van de woordbetekenis worden genoemd, en welke juist niet? Hoe kan de leerkracht deze uitleg ondersteunen met een vervolgvraag?

Fragment 2:
- Het opstellen van leervragen is een belangrijk didactisch hulpmiddel voor de leerkracht. Leg uit op welke wijze het de selectie van vakbegrippen ondersteunt.
- Leerling Lex geeft een aantal keer aan dat hij het antwoord op een vraag weet. Hoe gaat de leerkracht hiermee om? Waarom zou ze met hem nog niet de betekenisonderhandeling willen aangaan? Zou jij ook op deze manier reageren?  

Fragment 3:
- Ga na in hoeverre de criteria voor het selecteren van vakbegrippen van toepassing zijn bij het begrip ‘horige’.
- Welke aspecten van de woordbetekenis worden voor het begrip ‘horige’ genoemd? Welke van deze aspecten worden door de leerlingen zelf ingebracht? Welke voegt de leerkracht eraan toe? Kun je dat verschil verklaren?
- Hoe zorgt de leerkracht ervoor dat alle kinderen hetzelfde woordennetwerk rondom ‘horige’ krijgen? Hoe zou je in het gesprek nog meer kunnen inspelen op de verschillen tussen kinderen in eventuele pre- en misconcepten over dit begrip?

Algemeen: 
- Op welke manier draagt de werkvorm met het woordweb bij aan de woordenschatopbouw van de leerlingen?
- Geef bij de drie lesfragmenten aan waar en op welke manier je de vier fasen van het didactisch model voor woordenschatuitbreiding ziet. 
- Het maken van een woordweb zou ook gezien kunnen worden als schriftelijke activiteit. Hoe zou je in een soortgelijke vervolgactiviteit meer aandacht besteed kunnen worden aan de visuele weergave van denkrelaties?

 

Taalcompetenties

  1. Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

De leerkracht heeft de leerlingen de opdracht gegeven om in groepjes een woordweb te maken over de middeleeuwen. Ze geeft één groepje het woord om hun woordweb voor te lezen, waarna de anderen kunnen aanvullen. Dit is het startpunt voor een gesprek met de leerlingen over de begrippen. De leerkracht wil vooral de voorkennis van de leerlingen activeren en laat de al bekende begrippen aan bod komen. Daarbij vraagt ze regelmatig door op de kennis van de woordbetekenis door de leerlingen. Door ook leervragen van de leerlingen te inventariseren, vergroot ze de betrokkenheid van de leerlingen bij de vervolglessen.
De leerlingen hebben vooral een inventarisatie gemaakt van de begrippen, nu wil de leerkracht een aantal relaties tussen deze begrippen leggen. Ze groepeert de begrippen (zoals verschillende straffen) en legt verbanden (horige wordt bijvoorbeeld gekoppeld aan bescherming en kasteelheer). De leerkracht organiseert betekenisonderhandeling door leerlingen veel aan het woord te laten en op elkaar te laten reageren. Ze laat zoveel mogelijk definities en betekenisaspecten van de begrippen door de leerlingen noemen, maar ze vat het uiteindelijk zelf samen. De leerkracht zou de denkrelaties ook nog visueel kunnen weergeven, bijvoorbeeld door verbindingslijnen of pijlen aan te (laten) brengen in de woordwebben.
Tijdens het gesprek geeft de leerkracht aan alle leerlingen de ruimte voor bijdragen en initiatieven en stimuleert op die manier de taalproductie. Ze geeft ook feedback op de suggesties van leerlingen door aan te geven wat goed is en waar nog aanvulling nodig is. Ook geeft ze door middel van het benoemen van een leerling als expert aan dat hij nuttig kan zijn als de anderen hun woordennetwerk willen uitbreiden.