Reflectiegesprek over literaire voorkennis bij Duits

Een leraar Duits bespreekt een ironisch bedoelde literaire tekst met drie leerlingen van een middelbare school waarop een groot aantal anderstalige leerlingen zit. Na afloop kijkt hij in een interview op de les terug. Waar gaat het fout?

Beschrijving onderwijssituatie

Een leraar Duits bespreekt in fragment 1 met drie leerlingen een tekst waarin ironie voorkomt. Hij moet alles voorkauwen en vertalen in het Nederlands om de ironische betekenis tot de leerlingen te laten doordringen. Uiteindelijk geeft hij zelfs de clou weg. Na afloop van de les legt de leraar in fragment 2 aan de interviewer uit tegen welke moeilijkheden hij aanloopt bij het behandelen van Duitse literatuur in zijn (multiculturele) klassen.

Kijkvragen

Fragment 1

  1. Wat betekent in de tekst “Der Ofen ist aus”?

 

Fragment 2

  1. Waar wijt de leraar het aan dat de leerlingen een uitdrukking als “Der Ofen ist aus”? niet (meer) kennen?


Videofragmenten



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Materialen

Beide videofragmenten zijn afkomstig uit de documentaire Met een zoen van de leraar (1994) van Barbara den Uyl. Een jaar lang volgde zij met haar filmploeg de gebeurtenissen op het Mondriaan-lyceum, een middelbare school in Amsterdam-West.

Opdrachten

De leraar klinkt in fragment 2 erg somber over de literaire en talige voorkennis van zijn leerlingen.

  1. Hoe ervaar jij dit in de eigen lespraktijk?
  2. Vind je dat jouw leerlingen inderdaad minder algemene kennis en belezenheid hebben ten opzichte van vroeger, zoals de leraar in dit fragment beweert? Waar ligt dat volgens jou aan?
  3. Hoe probeer jij met jouw lessen op de belevingswereld en het kennisniveau van de leerlingen aan te sluiten?

Kennisbasis

  1. Tekstsoorten (genres): welke soorten teksten moeten de leerlingen voor jouw vak lezen, kunnen ze dat ook?
  2. Kiezen van teksten: welke keuzes maak je bij het kiezen van (vak)teksten? En slaat u wel eens teksten uit de lesmethode over met het oog op de voorkennis en het talige niveau van de leerlingen?
  3. Toegankelijk maken van teksten: hoe maak je vakteksten toegankelijker voor leerlingen? Zijn de teksten na deze ingrepen nog authentiek?
  4. Taalvariatie: heeft de talige en/of culturele en/of sociale achtergrond van de leerlingen invloed op je lessen? Hoe?
  5. Interculturele communicatie: Houd je bij het behandelen van vakinhouden rekening met de culturele achtergrond van uw leerlingen? Hoe en waarom?

Taalcompetenties

2: Beoordelen en toegankelijk maken van teksten 

De leraar kan teksten beoordelen op toegankelijkheid voor zijn leerlingen en kan die teksten zo nodig via mondelinge en schriftelijke ingrepen toegankelijk maken.

 Subdoelen
2.1 De leraar kan verschillende soorten teksten beoordelen op aangepastheid aan het doel en zijn leerlingen, op bruikbaarheid in de klas, op culturele impact. Hij kan zo nodig schriftelijke en mondelinge ingrepen bedenken om de tekst toegankelijk te maken voor gebruik in de klas.

 Dit veronderstelt dat de leraar:

  1. de talige complexiteit kan inschatten op het vlak van woordgebruik, zinsbouw, explicietheid van verbanden, tekstopbouw,… en die kan linken aan het begripsniveau van de leerlingen;
  2. de teksten inhoudelijk kan inschatten op het vlak van bekendheid van onderwerp, motiverende kracht, ideeënopbouw,… en die inschatting kan linken aan de kennis van de wereld, de interesse,… van de leerlingen.

 De leraar licht in het fragment de betekenis van de uitdrukking “Der Ofen ist aus” uit, omdat hij verwacht dat de gemiddelde leerling deze uitdrukking én het gebruik van ironie in literaire teksten niet (her)kent. Hij wijt dit niet direct aan de talige maar aan de socio-culturele achtergrond van de leerlingen. Lang niet alle leerlingen zijn van huis uit gewend te lezen en al helemaal geen boeken in de vreemde talen Duits, Engels en Frans.