Vragen bedenken bij wiskunde

Beschrijving onderwijssituatie

De leerlingen krijgen een extra les examentraining wiskunde. Over een paar weken doen ze eindexamen VMBO, wiskunde, bbl of kbl. De leerlingen hebben eerder aangegeven welke onderdelen ze nog extra wilden oefenen voor het examen. De leraar heeft daar opdrachten bij gemaakt. Het gaat om de volgende vier onderwerpen: oppervlakte en omtrek, procenten, omrekenen en algebra (KBL).
Het praktijkvoorbeeld bestaat uit vijf fragmenten:

  1. instructie
  2. leerkracht bij leerlingen die het onderdeel omrekenen doen
  3. idem
  4. idem
  5. leerkracht licht zijn bedoelingen aan het einde van de les nogmaals toe en blikt vooruit op de volgende les

Kijkvragen

Bij fragment 1:

  1. Wat is het doel van de opdracht in tweetallen?
  2. Wat valt je op aan het taalgebruik van de docent?

Bij fragmenten 2 t/m 4:

  1. Hoe lokt de docent de leerlingen uit? Let op de wijze van interactie.
  2. Hoe actief zijn de leerlingen?

Bij fragment 5:
Welke opdracht kondigt de leraar aan voor de volgende les examentraining?



Videofragmenten



Materiaal

Opdrachten voor de groep. Bij de instructie laat de leerkracht het onderdeel Oppervlakte en omtrek zien. Bij fragment 2 t/m 4 gaat het om Omrekenen.

Opdrachten

  1. Wat vind je van de opdracht die de leerlingen maken ter voorbereiding op het eindexamen wiskunde? Heb je met jouw leerlingen wel eens een vergelijkbare opdracht gedaan? Hoe pakte dat uit?
  2. Wat vind je van de inzet en betrokkenheid van de leerlingen?
  3. In het vijfde fragment bespreekt de docent nogmaals de doelen van de opdracht. Vind je dat hij die doelen heeft bereikt? Hoe controleert hij dat bij de leerlingen? Wat vind je daarvan?

Kennisbasis

  1. Vakmatig redeneren is een relatief complexe cognitieve taalfunctie. Beluister de redeneringen van de leerlingen in fragment 2 t/m 4 nog eens goed en benoem de denkrelaties die je daarin aantreft. Welke signaalwoorden gebruiken de leerlingen?
  2. De leerlingen krijgen veel ruimte van de leraar om hun manier van redeneren toe te lichten. Wat doet de docent om taalproductie uit te lokken? Noteer een aantal voorbeelden.
  3. Wat voor vragen stelt de docent in het derde en vierde fragment?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen 

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

1.1 De leraar kan analyseren welke talige acties van hem (zoals het stellen van vragen en het geven van antwoorden en feedback) aan het gespreksdoel voldoen.
Mogelijke doelen zijn:

- realiseren van een bepaalde leerinhoud in een betekenisonderhandelingsgesprek;

-bereiken dat iedereen gemotiveerd deelneemt aan het gesprek.

De docent wil de leerlingen stimuleren tot denken en tot hun wiskundige berekeningen uitdrukken in taal.Hij creëert een uitdagende opdracht, die leerlingen stimuleert om zelf na te denken. Ze worden geplaatst in de voor hen ongebruikelijke rol van degenen die de vragen maken. Ze worden als het ware de toetsenmakers van het cito. De docent neemt niet snel genoegen met vragen of uitleg van leerlingen en vraagt steeds door waardoor leerlingen uitgedaagd worden hun wiskundige denkprocessen nauwkeurig in vaktaal te verwoorden. Hij draagt hierdoor bij aan de ontwikkeling van praten in dagelijkse algemene taal (DAT) naar het adequaat gebruik van school- en vaktaal (CAT).