Instructie over appelflappen bakken bij verzorging

Lio Jan geeft in een 2 vmbo-klas (basis en kader) instructie over het bakken van appelflappen.

Beschrijving onderwijssituatie

In het eerste fragment zie je een gedeelte van de les van lio Jan. Hij geeft biologie/verzorging in 2 vmbo. Bij de basis- en kadergerichte leerweg op het vmbo valt Verzorging onder het vak Biologie. Kooklessen maken deel uit van Verzorging. Omdat het de laatste les is voor de zomervakantie, mogen de leerlingen koken. Ze gaan appelflappen maken.

Jan is tweedejaars student biologie (voltijd) aan een tweedegraads lerarenopleiding.

Jan start de les met het geven van instructie over appelflappen bakken.
In het tweede fragment zie je een gedeelte uit het reflectiegesprek dat lio Jan na de les voert met zijn docent van de lerarenopleiding (Mark).

Kijkvragen

  1. Noteer drie zaken die je opvallen in de manier waarop Jan uitleg geeft over het bakken van appelflappen.
  2. Wat voor vragen stelt Jan?
  3. Wat valt je op in het woordgebruik van Jan? Noteer een paar voorbeelden. Denk je dat leerlingen die woorden begrijpen?
  4. Opleider Mark merkt op dat leerlingen niet reageren op Jans vraag wie wil uitleggen hoe je appelflappen moet bakken? Welke verklaring geeft Jan daarvoor? En welke verklaring geeft Mark?
  5. Welk verschil noemt de opleider in Jans uitleg bij de appelflappen bakken en die bij ‘hygiënisch werken’?


Videofragmenten



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.



Materialen

Lio Jan heeft op het bord geschreven: 

HYGIENE
1 handen wassen
2 schort voor
3 netjes werken
4 afwassen met warm water

Opdrachten

  1. Jan gaat ervan uit dat de meeste leerlingen wel weten hoe ze appelflappen moeten bakken. Wat vind je van die vooronderstelling? In hoeverre kun je er in een klas met leerlingen van uiteenlopende etnische achtergrond van uitgaan dat ze appelflappen kunnen bakken?
  2. Als leerlingen appelflappen kunnen bakken, hoe leerzaam vind je dan de taak om appelflappen te bakken? Welke doelen zou Jan voor ogen hebben gehad met deze les?
  3. Hoe zou jij een kookles over appelflappen bakken starten?
  4. Jan vraagt naar een definitie van ‘hygiënisch werken’. Denk je dat de leerlingen het woord definitie kennen?
  5. Wat vind je ervan dat Jan het woord 'geklooi' gebruikt?

Kennisbasis

  1. Jan stelt een aantal vragen om de leerlingen bij het onderwerp van de les te betrekken. Toch reageren de leerlingen nauwelijks. Welke vragen zou Jan kunnen stellen om meer interactie tussen hem en de leerlingen te krijgen? Bedenk een aantal vragen.
  2. Jan vertelt hoe je appelflappen moet bakken. Hij gebruikt daarvoor terloops woorden als ‘dan’ en ‘daarna’. Deze signaalwoorden geven denkrelaties in gesproken taal weer. Om wat voor taal- en denkrelatie gaat het hier? Hoe zou Jan deze relatie meer kunnen benadrukken?
  3. De woordkeuze van Jan is opvallend, hij gebruikt zowel het woord ‘geklooi’ als het woord ‘definitie’. Hij schakelt tussen informele en formele registers. Hoor je nog meer voorbeelden van taalvariatie bij Jan? Tot welk soort taal behoren die voorbeelden?

Taalcompetenties

5: Een uiteenzetting geven met schriftelijke ondersteuning. 

De leraar kan een uiteenzetting geven om te informeren, activeren of overtuigen op verschillende manieren (bijvoorbeeld interactief, kort of lang). Hij kan daarbij flexibel gebruik maken van een effectieve ondersteuning in schrift en beeld.

 Voor het geven van een heldere uiteenzetting is het van belang dat de leraar ruimte creëert voor inbreng van de leerlingen. Jan stelt daartoe wel vragen, maar wacht niet op de inbreng van leerlingen en geeft zodoende vaak zelf het antwoord. Leerlingen worden op die manier niet uitgenodigd om actief deel te nemen aan het gesprek. Ze weten dat als ze geen antwoord geven, de leraar zelf wel met een reactie komt. Voor het creëren van taalruimte kan een stilte inlassen effectiever zijn dan het stellen van vragen.