Appelflappen bakken bij verzorging

Lio Jan geeft in een 2 vmbo klas (basis en kader) een les verzorging waarin de leerlingen appelflappen bakken.

Beschrijving onderwijssituatie

Dit praktijkvoorbeeld bestaat uit vier fragmenten. Het gaat om een les biologie / verzorging in een 2 vmbo klas van lio Jan (tweedejaars student biologie voltijd aan een tweedegraads lerarenopleiding). Bij de basis- en kadergerichte leerweg op het vmbo valt Verzorging onder het vak Biologie. Kooklessen maken deel uit van Verzorging. Omdat het de laatste les is voor de zomervakantie, mogen de leerlingen koken. Ze gaan appelflappen bakken. Na de les heeft Jan een reflectiegesprek met zijn docent van de lerarenopleiding (Mark).

Van de les van Jan zie je twee fragmenten:

Fragment 1: leerlingen gaan aan de slag met appelflappen bakken (na de plenaire instructie).

Fragment 2: leerlingen zijn bezig met het bakken van de appelflappen.

Van het reflectiegesprek zie je ook twee fragmenten waarin beide lesonderdelen ter sprake komen:

Fragment 3: over de start met het bakken van appelflappen.

Fragment 4: over de gesprekjes tijdens het appelflappen bakken.

Kijkvragen

  1. Wat doet lio Jan terwijl de leerlingen aan de slag gaan met het appelflappen bakken?
  2. Wat valt je op in het contact tussen lio Jan en de leerlingen?
  3. Als de leerlingen eenmaal bezig zijn met het appelflappen bakken, vinden er diverse gesprekjes plaats tussen Jan en de leerlingen. Wat valt je daarin op?
  4. Spreekt Jan de taal van de leerlingen? Waaruit maak je dat op?
  5. Wat zegt opleider Mark over de manier waarop Jan reageert als leerlingen niet weten wat ze moeten doen?
  6. Wat is volgens Mark het effect van de kleine praatjes (social talk) die Jan houdt met zijn leerlingen?
  7. Hoe probeert Jan een open werksfeer te creëren?


Videofragmenten



Fragment 1: leerlingen gaan aan de slag met appelflappen bakken (na de plenaire instructie).

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2: leerlingen zijn bezig met het bakken van de appelflappen. Van het reflectiegesprek zie je ook twee fragmenten waarin beide lesonderdelen ter sprake komen

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Fragment 3: over de start met het bakken van appelflappen

Klik hier voor het transcript bij fragment 3.

Fragment 4: over de gesprekjes tijdens het appelflappen bakken

Klik hier voor het transcript bij fragment 4.



Materialen

Opdrachten

  1. Terwijl de leerlingen hun werkzaamheden opstarten, geeft Jan de instructie: “communiceer ook door wat jullie allemaal doen”. Welk doel zou hij hiermee beogen?
  2. Hoe vind je de werksfeer in de klas? Welk gedrag van Jan draagt bij aan die sfeer?
  3. Ga voor jezelf na hoe jij een (persoonlijke) band met leerlingen opbouwt. In hoeverre vraagt de grotere variatie aan achtergronden van leerlingen om een andere manier van contact maken met de leerlingen? Hoe belangrijk vind jij het om een goede relatie met je leerlingen op te bouwen?
  4. Hoe kun je in een les waarin leerlingen appelflappen bakken meer aanknopingspunten benutten of creëren om de taalontwikkeling te stimuleren?

Kennisbasis

  1. In het eerste fragment vindt steeds korte interactie plaats tussen Jan en een leerling. Inventariseer de opmerkingen die Jan maakt en ga na wie het initiatief neemt in het gesprek. Wat valt je op? Hoe kan Jan meer taalproductie uitlokken in de tweegesprekken?
  2. In het tweede fragment vraagt een leerling: “Hoe moet je prakken dan?” Jan geeft daar meteen antwoord op: “Het gemakkelijkst is met een vork denk ik.” Hier laat Jan een kans om betekenisonderhandeling te organiseren liggen. Zie je meer voorbeelden waarin Jan de kans op betekenisonderhandeling laat liggen of juist benut?
  3. Jan vraagt op gegeven moment wat de stand vanavond gaat worden (het Nederlands elftal moet voetballen). Dit is een voorbeeld van een echte vraag. Welke vragen zou Jan kunnen stellen om de leerlingen aan de praat te krijgen over het onderwerp van de les?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen 

De leraar kan een uiteenzetting geven om te informeren, activeren of overtuigen op verschillende manieren (bijvoorbeeld interactief, kort of lang). Hij kan daarbij flexibel gebruikmaken van een effectieve ondersteuning in schrift en beeld.

 Goede gesprekken voert betekent onder andere zorgen voor een begrijpelijk en interactief taalaanbod. Het taalaanbod van lio Jan is begrijpelijk voor de leerlingen. Hij gebruikt regelmatig een informeel register om de taal van de leerlingen te spreken. Het taalaanbod is echter weinig interactief. Jan kan de kwaliteit van de interactie verhogen door meer ruimte te scheppen voor bijdragen van leerlingen. Hij kan tevens feedbackstrategieën inzetten zoals om verduidelijking vragen, verbeterd herhalen en uitbreiden van de inhoud.