lesfragment Nederlands over een oorzaak-gevolgverband

Een les tekstverklaring op een zwarte middelbare school. De leraar gebruikt mondeling verschillende manieren om een meertalige leerling een oorzaak-gevolgverband te laten herkennen.

Beschrijving onderwijssituatie

De les gaat over oorzaak en gevolg. De leraar gebruikt het voorbeeld van een ontdooide ijskast met water dat eruit gutst. Ze vraagt aan leerling Fatima of zij kan aangeven wat de oorzaak en het gevolg van deze gebeurtenis zijn.

Kijkvragen

  1. Hoe ondersteunt de leraar haar verbale uitleg?
  2. Snapt Fatima in het fragment meteen dat het om een oorzaak-gevolgrelatie gaat?


Videofragmenten



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Materialen

Dit lesfragment is afkomstig uit de documentaire Met een zoen van de leraar (1994) van Barbara den Uyl. Een jaar lang volgde zij met haar filmploeg de gebeurtenissen op het Mondriaan-lyceum, een middelbare school in Amsterdam-West.

Opdrachten

  1. Wat vind je van de formulering van de leraar in regel 3: ”Fatima, wat denk jij?’
  2. Vind jij dat de leraar daarna genoeg ruimte geeft aan Fatima om de oplossing zelf te bedenken? 
  3. Wat had de leraar ook kunnen doen om het verband in de tekst duidelijk te maken? 
  4. Denk je dat Fatima het oorzakelijk verband uiteindelijk begrepen heeft?

Kennisbasis

  1. Denkrelaties: welk verband is er tussen de stroom die uitvalt en het ijs dat smelt?Met welke signaalwoord zou dat in de tekst weergegeven kunnen zijn?
  2. Taalproductie uitlokken: hoe probeert de leraar Fatima erbij te betrekken?
  3. Feedback geven: hoe geeft de leraar feedback op de antwoorden van Fatima? En wat vind je van de wijze waarop ze dat doet?
  4. Vragen stellen: wat voor soort vragen stelt de leraar aan Fatima? En wat vind je daarvan?

Taalcompetenties

1. Gesprekken voeren met leerlingen 

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

 1.2 De leraar kan goede gesprekken voeren in functie van het doel en de inhoud van het gesprek én aangepast aan het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen.

 Goede gesprekken voeren betekent: 

  1. zorgen voor een begrijpelijk en interactief taalaanbod:
  • aangepaste inhoud, vorm en contextuele inbedding;
  • gericht op volwaardige communicatie en met oog voor betekenisonderhandeling;

 2.  taalproductie stimuleren:

  • ruimte scheppen voor veel bijdragen en initiatieven van leerlingen;
  • praten over voor alle partners zinvolle inhouden die de totale ontwikkeling (socio-emotionele ontwikkeling, taal- en denkontwikkeling, kennisverwerving,…) stimuleren;

 3.  feedback geven op de talige uitingen, de schriftelijke producten en de leerprocessen van leerlingen:

  • verschillende soorten feedback geven (zowel impliciet en/of expliciet als gericht op inhoud en/of vorm), afhankelijk van het doel en de situatie;
  • aangepaste feedbackstrategieën hanteren zoals bevestigen, om verduidelijking vragen, verbeterd herhalen, uitbreiden van de inhoud,...

 De lerares nodigt Fatima met een open vraag in regel 3 uit om haar visie op het verband te geven. Ze probeert haar ruimte te geven om een eigen inbreng te geven en mogelijk zo ook de taalproductie te stimuleren. Als Fatima zwijgt, gooit de lerares het over een andere boeg. Ze stelt een meer gerichte vraag met een beperkt aantal antwoordmogelijkheden (zie regel 6 en 7). Haar feedback in regel 11 lijkt impliciet. In regel 16 is deze expliciet. De vraag daarna in regel 16-17 en 19 lijkt wel retorisch. Mogelijk is het tijd om door te gaan.