Wat is een discussie?

Een student lerarenopleiding Nederlands behandelt in een klassengesprek in een brugklas havo/vwo 'de discussie'

Beschrijving onderwijssituatie

De derdejaars student aan de lerarenopleiding Nederlands Els laat in een brugklas havo/vwo de leerlingen in twee opeenvolgende lessen discussiëren over een aantal stellingen. Naast de daadwerkelijke discussie, zowel in kleine groepen als klassikaal, spreekt Els ook met de hele klas over het voeren van een discussie. Van dat klassengesprek zie je drie fragmenten.

Kijkvragen

  1. Welke vakinhoud Nederlands komt er uit deze fragmenten naar voren?
  2. Wat valt je op aan de manier waarop Els het klassengesprek voert?
  3. Wat vind je van de inbreng van de leerlingen? Wanneer is er sprake van betrokkenheid?


Videofragmenten



Fragment 1: activeren van de voorkennis over het begrip discussie

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2: terugkomen op eerder gevoerde discussie aan de hand van het begrip ‘stelling’

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Fragment 3: afsluiten en vaststellen van het belang van ‘discussiëren’

Klik hier voor het transcript bij fragment 3.

Opdrachten

  1. Voordat Els met de feitelijke discussieopdracht begint, heeft ze in fragment 1 met de leerlingen een klassengesprek over de vraag “Wat is een discussie?” Wat vind je van die aanpak? Wat vind je van het bordgebruik van Els? Hoe zou jij het doen?
  2. Els introduceert in fragment 1 ook de term ‘debat’. Hoe reageren de leerlingen daarop? Hoe kijk jij aan tegen de overeenkomsten/verschillen tussen ‘discussie’ en ‘debat’? Zou jij daar in deze klas aandacht aan besteden? Waarom wel/niet?

Kennisbasis

  1. In fragment 1 zegt Els: "We gaan hierna namelijk discussiëren. Ja, wie kan mij helpen? Wie kan vertellen wat dat is? Wat is een discussie?" Hier is sprake van taalproductie uitlokken . Waarom zou je dat in een klassengesprek doen?
  2. Zoek in de drie fragmenten nog minimaal drie voorbeelden van taalproductie uitlokken. Zet de uitgelokte taalproductie (dat is de inbreng van de leerlingen) onder elkaar. Wat valt je op?
  3. In fragment 1 zegt een leerling: "Er zijn mensen, meer mensen, die een andere mening hebben en dan gaan ze, zeg maar, aan elkaar uitleggen waarom dat is." Met deze inbreng doet de leerling mee aan de betekenisonderhandeling over het begrip ‘discussie’. Zie je nog meer voorbeelden van betekenisonderhandeling door leerlingen? Wat vind je van die voorbeelden?
  4. Els wil door middel van het klassengesprek de leerlingen laten nadenken over het begrip ‘discussie’. Vanuit die doelstelling wil ze betekenisonderhandeling organiseren. Ze laat een aantal keren de kans op betekenisonderhandeling voorbijgaan. Waar liggen die kansen?
  5. Vind jij een klassengesprek een geschikte gesprekssoort om betekenisonderhandeling te organiseren? Waarom wel/niet?
  6. In het eerste en derde fragment zitten voorbeeld van hardop voordoen van vakmatig redeneren met betrekking tot de uitspraken "School is leuk" en "School is stom". Vergelijk die passages goed met elkaar. Wat is kenmerkend aan deze leerkrachtvaardigheid? Wat zou jij in deze gevallen precies zeggen?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen 

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

 In het klassengesprek probeert Els doelgericht een bepaalde leerinhoud aan de orde te stellen, namelijk 'de discussie'. Door ook kennis en opvattingen van leerlingen op te vragen realiseert zij betekenisonderhandeling in het gesprek.

 Bovendien is Els erop gericht dat alle leerlingen gemotiveerd deelnemen aan het klassengesprek. Zij nodigt bijvoorbeeld een leerling uit iets te vertellen over zijn ervaring met een debat (fragment 1). De keerzijde van de ruimte die Els biedt aan inbreng van leerlingen, is dat leerlingen regelmatig onderonsjes met elkaar hebben.

 Op de inbreng van de leerlingen geeft Els over het algemeen inhoudelijk feedback. In de passage over het debat (fragment) reageert zij bijvoorbeeld met opmerkingen als "Oké, hé en vond je dat leuk?" en "En waar ging het debat over?"

 

5: Een uiteenzetting geven met schriftelijke ondersteuning 

De leraar kan een uiteenzetting geven om te informeren, activeren of overtuigen op verschillende manieren (bijvoorbeeld interactief, kort of lang). Hij kan daarbij flexibel gebruikmaken van een effectieve ondersteuning in schrift en beeld.

 Els heeft ter voorbereiding van het klassengesprek (fragment 1) een inschatting gemaakt van de moeilijkheidsgraad van het te bespreken concept: 'de discussie'. Ze verwacht dat de leerlingen er wel iets van weten. De uiteenzetting start ze met het activeren van voorkennis: "Wie kan vertellen wat dat is? Wat is een discussie?"

 Door vragen te stellen betrekt Els de leerlingen actief bij haar uiteenzetting. Bijvoorbeeld: "Wat zijn argumenten dan precies?" (fragment 1)

 Ze houdt de toegankelijkheid van haar uiteenzetting in de gaten door vragen die gericht zijn op begripscontrole. Bijvoorbeeld: "Is het voor iedereen duidelijk wat een debat is?" (fragment 1)

 In haar uiteenzetting over 'de discussie' maakt Els gebruik van schriftelijke ondersteuning: ze schrijft discussie en argumenten op het bord (fragment 1). Het bordgebruik is echter summier en willekeurig. De relaties tussen die twee woorden wordt niet zichtbaar gemaakt.