De was doen

Leerlingen uit 3 VMBO, sector Dienstverlening (bbl), vertellen aan de docent hoe zij de was doen op school.

Beschrijving onderwijssituatie

De leerlingen werken in tweetallen. Ze krijgen kaartjes met woorden en plaatjes van de docent die ze moeten gebruiken in hun mondelinge uitleg over de was doen op school. Ze hebben voor deze les al vaker geoefend met het verwoorden van dit soort praktische handelingen.Het praktijkvoorbeeld bestaat uit 3 fragmenten:

  1. De docent geeft instructie
  2. Leerling 1 geeft uitleg
  3. Leerling 2 geeft uitleg 

Kijkvragen

Fragment 1:

  1. Hoe luidt de opdracht die de docent aan de leerlingen geeft?
  2. Wat valt je op als de leerlingen de kaartjes aan het sorteren zijn?

Fragment 2:

  1. Wat valt je op aan het taalgebruik van de leerling?
  2. Wat doet de docent om de leerling te helpen?

Fragment 3:

  1. Wat is het verschil in taalvaardigheid tussen deze leerling en die uit het tweede fragment?
  2. Wat doet de docent om deze leerling te helpen?


Videofragmenten



Opdrachten

  1. Noteer zo veel mogelijk taaluitingen van de eerste leerling en analyseer haar taalgebruik. Wat valt je op? Wat zou jij deze leerling laten doen na deze spreektaak?
  2. De docent heeft als doel met deze spreektaak: 'De leerling is in staat in goede Nederlandse zinnen uit te leggen hoe zij de was doet op school'. Vind je dat dit doel is gerealiseerd? Beargumenteer je antwoord.
  3. Welke feedback geeft de docent aan de leerlingen aan het einde van de opdracht? Wat vind je van die feedback? Welke feedback zou jij aan de leerlingen geven?

Kennisbasis

  1. De docent geeft de leerlingen de opdracht om uit te leggen hoe ze de was doen. Is hier sprake van een functionele spreektaak? Licht je antwoord toe.
  2. Handelingen in de juiste volgorde beschrijven is een cognitieve taalfunctie, waarbij je signaalwoorden gebruikt. Ga na welke signaalwoorden de leerlingen in beide fragmenten gebruiken. 
  3. De docent helpt de leerlingen bij het verwoorden van de was doen. Hoe probeert ze taalproductie uit te lokken?
  4. Vragen stellen: de docent stelt veel vragen tijdens de mondelinge uitleg door de leerlingen. Wat voor vragen stelt ze? Noteer een aantal voorbeelden.
  5. Je kunt feedback geven op verschillende aspecten van mondeling taalgebruik. Waar geeft de docent feedback op?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen 

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

1.2 De leraar kan goede gesprekken voeren in functie van het doel en de inhoud van het gesprek én aangepast aan het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen. 
De docent probeert de eerste leerling te helpen bij het verwoorden van de handelingen die horen bij de was doen. Ze stimuleert haar taalproductie door veel vragen te stellen over met name woorden die de leerling zou moeten gebruiken en die ze niet altijd paraat heeft. De docent houdt hierdoor het initiatief in het gesprek en de leerling neemt een afwachtende houding aan. De leerling komt nauwelijks uit zichzelf tot taalproductie.