Gesprek met een Marokkaanse leerling over hulp vragen

Een docent spreekt een leerling op een zwarte middelbare school aan op het feit dat zij niet om hulp vraagt die ze wel nodig heeft.

Beschrijving onderwijssituatie

Emine is een stil, wat verlegen meisje dat haar vriendin – en niet de leraar – om uitleg vraagt als ze een opdracht niet begrijpt. De leraar knoopt een gesprek met haar aan om haar erop te wijzen dat dit geen goede strategie is. Emine zal zich in het vervolg met vragen tot haar leraar moeten wenden.

Kijkvragen

  1. Hoe probeert de leraar tot Emine door te dringen? 
  2. Welke redenen denkt de leraar dat Emine heeft om niet zelf haar vragen te stellen aan de leraar?


Videofragmenten



Transcript 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Materialen

Dit lesfragment is afkomstig uit de documentaire Met een zoen van de leraar (1994) van Barbara den Uyl. Een jaar lang volgde zij met haar filmploeg de gebeurtenissen op het Mondriaan-lyceum, een zwarte middelbare school in Amsterdam-West.

Opdrachten

  1. Krijg je de indruk dat Emine begrijpt wat er van haar verlangd wordt? 
  2. Hoe kan de leraar er in haar lespraktijk stimuleren dat Emine wél met vragen naar hoe toe komt? 
  3. Heb je in jouw eigen lespraktijk te maken met leerlingen als Emine, die liever de hulp inschakelen van een klasgenoot dan van jou? 
  4. Indien dit zo is, ben je daarop tegen? Waarom wel/niet? 
  5. Zou jij het gesprek met Emine op dezelfde wijze hebben aangepakt als deze leraar? Wat zou je eventueel anders doen? Waarom?

Kennisbasis

  1. Begrijpelijk taalaanbod realiseren: wat vind je van het taalgebruik van de leraar in het gesprek met Emine? Waarom vind je dat?
  2. Vragen stellen: wat voor soort vragen stelt de leraar? En wat vind je daarvan? Waarom? 
  3. Interculturele communicatie: Welk probleem lijkt de leraar te hebben in dit fragment? Zou het te maken kunnen hebben met de culturele achtergrond van Emine?
  4. Ga na op welke manier de leraar omgaat met verschillen in mondelinge vaardigheden. Op welke manier houdt de leraar rekening met de taalachtergrond van de leerling? Licht je antwoord toe.

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen 

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

 1.2 De leraar kan goede gesprekken voeren in functie van het doel en de inhoud van het gesprek én aangepast aan het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen.
Goede gesprekken voeren betekent:

  1. zorgen voor een begrijpelijk en interactief taalaanbod:
  • aangepaste inhoud, vorm en contextuele inbedding;
  • gericht op volwaardige communicatie en met oog voor betekenisonderhandeling;
  2.  taalproductie stimuleren:
  • ruimte scheppen voor veel bijdragen en initiatieven van leerlingen;
  • praten over voor alle partners zinvolle inhouden die de totale ontwikkeling (socio-emotionele ontwikkeling, taal- en denkontwikkeling, kennisverwerving,…) stimuleren;   

De lerares probeert in het gesprek met de leerling te stimuleren dat ze zelf vragen durft te stellen aan haar leraren. Ze lijkt daarmee de taalproductie van de leerling te willen stimuleren. Ook in dit gesprek probeert de lerares door het stellen van bijv. open vragen de leerling tot praten te stimuleren: “Wat denk je zelf dat je zou kunnen vragen?” Ook benadrukt ze het belang van het zelf vragen kunnen en durven stellen en het leeraspect hierbij: “Emine, je moet het leren.”