Reflectiegesprekken met leerlingen over dubbelzinnige Nederlandse woorden

Een leerling met een anderstalige achtergrond heeft moeite een Nederlands werkwoord te begrijpen, dat zijn klasgenoten op dubbelzinnige wijze interpreteren.

Beschrijving onderwijssituatie

Abou komt uit Burundi. In 2004 zit hij in 3 vmbo. In een les Nederlands komt het woord ‘(aan)trekken’ voor. Abou kent de betekenis van het woord niet. Zijn klasgenoten proberen hem voor de grap op een dwaalspoor te zetten. In het lesfragment (= fragment 1) worden deze zinnen besproken:

  • r.115-119: "De mannen en vrouwen op straat zijn daarbij onze beste ambassadeurs. Maar juist daar hapert het. Agenten die door rood licht lopen, niet snel genoeg reageren op een melding of onnodig hard optreden, doen de naam van de politie geen goed.”
  • r.81-83: “In hun nieuwjaarstoespraken troefden de korpschefs elkaar af met allerlei plannetjes om agenten te trekken.”
Na de les worden Abou (= fragment 2) en zijn klasgenoot Ryan (= fragment 3) geïnterviewd door Truus, opleider aan ILS-HAN. Wat hebben ze geleerd deze les? En waarmee hebben ze nog moeite?

Kijkvragen

Fragment 1

  1. Welk woord kent Ryan niet?
  2. En welk(e) woord(en) noemt Abou?
  3. Welk woord uit de zin legt de leraar uit?

 Fragment 2

  1. Snapte Abou de uitdrukking ‘(agenten) trekken’ na de uitleg van de leraar in de les?
  2. Denk je dat Abou die uitdrukking wel snapt na de uitleg van opleider van Truus in het reflectiegesprek?

Fragment 3

  1. Welke woorden bleek Ryan niet te snappen na de les?
  2. Denk je dat Ryan die woorden wel snapt na de uitleg van opleider van Truus in het reflectiegesprek?


Videofragmenten



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Fragment 3

Klik hier voor het transcript bij fragment 3.

Opdrachten

Bij fragment 1, 2 en 3:

  1. Denk je dat Abou de zin: r.81-83: “In hun nieuwjaarstoespraken troefden de korpschefs elkaar af met allerlei plannetjes om agenten te trekken.” heeft begrepen, na de uitleg van de leraar? En Ryan? En andere leerlingen in de klas? Waarom?
  2. Uit fragment 2 blijkt dat Abou een aantal woorden uit de tekst en de zin 81-83 nog niet goed heeft begrepen. Wat valt op aan zijn eerste uitleg van het woord ‘trekken’?
  3. Waarom heeft hij in de les niet doorgevraagd aan de leraar wat ‘trekken’ nu precies betekent?
  4. Welke veronderstelling had Abou over het werkwoord ‘trekken’? Wat heeft hij nu geleerd? 
  5. Opleider Truus vraagt Abou of hij het woord ‘aftroeven’ wel begrepen heeft. Denk je dat dat zo is, naar aanleiding van zijn antwoord?
  6. Zou de leraar in de gaten hebben gehad dat in ieder geval twee (namelijk Ryan en Abou) de uitleg van de zin 81-83 niet begrepen hebben?
  7. Hoe zou de leraar dat begrip bij de leerlingen hebben kunnen controleren?

Kennisbasis

Abou en Ryan kennen de woordbetekenis van diverse woorden en uitdrukkingen uit de tekst niet. 

Woordleerstrategieën: wat zouden Abou en Ryan zelf hebben kunnen doen om die woorden en woordbetekenissen te achterhalen?

Didactisch model woordenschatuitbreiding: leg met behulp van dit model uit hoe de leraar de uitleg van een begrip als ‘aftroeven’(nog) beter kunnen uitleggen?

Taalcompetenties

1. Gesprekken voeren met leerlingen 

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individueel als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Subdoel 1.1 De leraar kan analyseren welke talige acties van hem (zoals het stellen van vragen en het geven van antwoorden en feedback) aan het gespreksdoel voldoen. Mogelijke doelen zijn:

  • realiseren van een bepaalde leerinhoud in een betekenisonderhandelingsgesprek;
  • dieper ingaan op een gespreksonderwerp dat de gedachten en emoties van de leerlingen beheerst;
  • bereiken dat iedereen gemotiveerd deelneemt aan het gesprek;
  • inspelen op specifieke behoeften en op de totale ontwikkeling van de leerlingen.

De leraar uit het voorbeeld probeert de betekenis van onduidelijke woorden, zoals ‘haperen’ en ’aftroeven’ uit een tekst tijdens een les tekstverklaring aan een 3 VMBO-klas uit te leggen. Ze probeert daarbij de hulp van de leerlingen, als volwaardige gesprekspartners, in te schakelen: “Wie weet wat haperen betekent?” (r.3) en “Thomas, kun je het uitleggen?” (r.12). Die hulp van de leerlingen komt niet in alle gevallen. Zo lijkt Thomas in r.13 met een grapje de verwarring alleen maar groter te willen maken. “Ja. Hij bedoelt eh... aftrekken.” De tijd en de rust lijken te ontbreken om uitgebreid op alle vragen van de leerlingen in te kunnen gaan. De leraar lijkt dan ook in r.36: “Ja”? te zeggen om toestemming te krijgen om door te gaan met de les. In de gesprekken met Abou en Ryan achteraf bleek achter dat ze een aantal zaken uit de tekst toch niet goed begrepen hadden.