Betekenis van woorden vinden

Een student aan de lerarenopleiding Nederlands bespreekt in een brugklas havo/vwo hoe je de betekenis van moeilijke woorden kunt achterhalen.

Beschrijving onderwijssituatie

Noortje, derdejaars student aan de lerarenopleiding Nederlands, bespreekt in een brugklas havo/vwo hoe je zonder het woordenboek achter de betekenis van onbekende of moeilijke woorden kan komen.

Kijkvragen

  1. Welke vakinhoud Nederlands komt er uit deze fragmenten naar voren
  2. Wat valt je op aan de manier waarop Noortje de klassikale instructie geeft?
  3. Wat vind je van de inbreng van de leerlingen?
  4. Zie je verschillen in de bespreking van respectievelijk ‘emancipatie’ en ‘verzekering’?


Videofragmenten



Fragment 1:benoemen van woordleerstrategieën

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2 afleiden van de betekenis van ‘emancipatie’

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Fragment 3 afleiden van de betekenis van ‘verzekering’

Klik hier voor het transcript bij fragment 3.

Opdrachten

  1. Noortje besteedt zowel aandacht aan de lesinhoud (betekenis van woorden vinden) als aan het bij de les houden van de leerlingen. Zoek een passage waarin het ‘bij de les houden’ de boventoon voert. Hoe pakt Noortje dat aan? Hoe zou jij dat zelf doen?
  2. De woorden ‘emancipatie’ (fragment 2) en ‘verzekering’ (fragment 3) worden gebruikt als voorbeeld bij de strategie ‘betekenis afleiden uit een deel van het woord’. Waarom lukt deze strategie niet bij het woord ‘emancipatie’? Hoe zou Noortje beter op dit woord kunnen reageren?
  3. Bij de tweede strategie om de betekenis van een woord te vinden (kijk naar een woorddeel dat je wel kent) zoekt Noortje voorbeelden: emancipatie en verzekering. Bij de eerste manier (kijken naar de context) doet ze dat niet. Bedenk zelf voorbeelden bij deze eerste manier.
  4. Bij de inbreng van Rens in fragment 3: Ja ik dacht van het woord ook nog ‘ver’, het duurt altijd lang voordat je je geld… reageert Noortje gematigd positief. Wat vind jij van die reactie. Zou je een alternatieve reactie kunnen bedenken?
  5. Bij de inbreng van een leerling (eind fragment 3): Maar dat klopt dan toch niet, je hebt ook levensverzekeringen. Het is toch niet zo dat als je dood gaat je dan weer terug kan komen.. reageert Noortje alleen met een instemming: dat klopt. Ze laat een kans op verder betekenisonderzoek naar ‘verzekering’ liggen. Hoe had ze hierop inhoudelijk kunnen reageren?

Kennisbasis

  1. In fragment 1 benoemt Noortje in samenspraak met de klas twee woordleerstrategieën. Zou je met deze leerlingen nog andere woordleerstrategieën kunnen bespreken? Welke?
  2. Om te illustreren hoe je naar een woord zelf kunt kijken voor het achterhalen van de betekenis moet Noortje een vakbegrip selecteren: verzekering (fragment 3). Welke argumenten hebben volgens jou bij die keuze een rol gespeeld? Wat vind je van die keuze?
  3. In fragment 3 bespreekt Noortje het woord verzekering, eerst aan de hand van het woorddeel ‘zeker’ en daarna met behulp van voorbeelden zoals reisverzekering. Welke aspecten van vakbegrippen uitleggen herken je in haar instructie?
  4. Aan het eind van fragment 3 licht Noortje de betekenis van ‘verzekering’ toe aan de hand van verhalende voorbeelden: Je woont in een huis… Op welke wijze maakt ze hier gebruik van de principes van woordenschatopbouw? Probeer op een vergelijkbare manier de betekenis van ‘emancipatie’ uit te leggen.
  5. Hoort ‘verzekering’ thuis bij de vaktaalwoorden of bij de schooltaalwoorden? En hoe zit dat met ‘emancipatie’?
  6. In fragment 2 komt het woord ‘emancipatie’ ter sprake. Licht met voorbeelden uit dit fragment toe dat er bij de leerlingen sprake is van pré- en misconcepten. Wat vind je in dit verband van de laatste opmerking van Noortje?: Dat mannen en vrouwen gelijk aan elkaar zijn. Dan zou je er al ‘man’ uit kunnen halen.

Taalcompetenties

5. Een uiteenzetting geven met schriftelijke ondersteuning 

De leraar kan een uiteenzetting geven om te informeren, activeren of overtuigen op verschillende manieren (bijvoorbeeld interactief, kort of lang). Hij kan daarbij flexibel gebruikmaken van een effectieve ondersteuning in schrift en beeld.

 Noortje heeft haar uiteenzetting (instructie over het achterhalen van de betekenis van woorden) schriftelijk voorbereid. Zie het materiaal bij fragment 3. De uiteenzetting bestaat grofweg uit het benoemen van (twee) woordleerstrategieën en het geven van voorbeelden bij de tweede strategie: betekenis afleiden uit een deel van het woord. De voorbereiding zou uitgebreider kunnen. Er zouden bij de strategie ‘betekenis afleiden uit woorddelen’ naast verzekering ook andere voorbeelden uitgewerkt kunnen worden. Ook bij de strategie ‘context gebruiken’ zouden voorbeelden gevraagd en gegeven kunnen worden.

 Noortje spreekt duidelijk verstaanbaar voor de leerlingen. Het stopwoord ‘oké’ is hier en daar storend, evenals het veelvuldig de hand voor de mond houden.

 Noortje ondersteunt haar uiteenzetting met tekst op het bord. Tijdens de uiteenzetting schrijft ze de twee genoemde woordleerstategieën op het bord. Daarna ook de twee voorbeeldwoorden: 'emancipatie' en 'verzekering'. De bordondersteuning zou sterker geweest zijn als de woordleerstrategieën ook grafisch/schematisch op het bord getekend waren.

 Noortje wisselt haar eigen instructie af met vragen aan de klas; ze probeert waar mogelijk ruimte te creëren voor betekenisonderhandeling en inbreng van de leerlingen. Dit blijkt bijvoorbeeld in het begin van fragment 1, waarin ze de leerlingen één minuut bedenktijd geeft. Verder nodigt ze de leerlingen regelmatig uit iets in te brengen. Vergelijk:

  • Oké, jullie hebben kunnen nadenken. Joost heb jij een idee? (fragment 1)
  • Oké Mohammed, leg eens uit. Wat zou je daaraan kunnen zien? (fragment 2)
  • Oké, goed antwoord inderdaad. Wie kan dat nog aanvullen? Merel? (fragment 3)

Die ruimte voor interactie wordt door de leerlingen ook gebruikt voor onderonsjes en inbreng die niet over de inhoud van de les gaan. Noortje moet dit gedrag regelmatig corrigeren. Soms raakt ze daardoor haar concentratie (op de lesinhoud) kwijt.

 Noortje slaagt er niet overal in (vakinhoudelijk) adequaat te reageren op de inbreng van de leerlingen. De inbreng over de woordleerstategieën en over het woord verzekering weet ze goed in haar uiteenzetting te integreren. Het door de leerlingen ingebrachte woord 'emancipatie' zet de instructie echter op een dwaalspoor. Een gesprek over de betekenis van dit woord is gepast. Maar niet als voorbeeld bij de strategie ‘betekenis afleiden van een woorddeel’. Noortje had beter kunnen doorvragen naar een ander, beter passend voorbeeld van een moeilijk woord.