Gebruik van een woordenboek

Een student aan de lerarenopleiding Nederlands geeft instructie aan een brugklas havo/vwo over het gebruik van een woordenboek.

Beschrijving onderwijssituatie

Noortje is derdejaars student Nederlands. Ze geeft een brugklas havo/vwo instructie over een opdracht uit de taalmethode. Daarin moeten leerlingen een woordenboek gebruiken voor het bepalen van de betekenis van woorden.

Kijkvragen

  1. Wat valt je op aan de manier waarop Noortje instructie geeft?
  2. Vind je het ‘gebruik van een woordenboek’ een gepaste vakinhoud voor de brugklas havo/vwo? Waarom wel of niet?


Videofragmenten



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Materialen

Dit document bevat twee pagina's uit het boek Verrijk je taalschat.

Opdrachten

  1. Voordat Noortje uitlegt wat een ‘trefwoord’ is, vraagt ze of leerlingen dit begrip al kennen. Zou jij dat zelf ook doen? Waarom wel of niet?
  2. Vergelijk de mondelinge toelichting die Noortje geeft bij opdracht 6 nauwkeurig met de tekst van die opdracht. Zou jij de mondelinge opdracht nog willen aanvullen? Zo ja, hoe?
  3. Noortje geeft de leerlingen een kwartier voor het maken van opdracht 6. Welke extra opdracht zou je geven aan leerlingen die eerder klaar zijn?
  4. Stel dat Noortje in haar instructie als concreet en tastbaar materiaal het woordenboek had willen gebruiken. Wanneer en hoe had ze dat kunnen doen?

Kennisbasis

  1. Opdracht 6 uit het taalboek biedt de leerlingen één mogelijkheid om de betekenis van een onbekend woord te achterhalen: opzoeken in het woordenboek. Kunnen de leerlingen hier ook nog andere woordleerstrategieën toepassen?
  2. Behoort ‘trefwoord’ tot de vaktaalwoorden of tot de schooltaalwoorden? Licht je antwoord toe. 
  3. Probeer zelf een omschrijving te geven van ‘trefwoord’. Welke aspecten onderscheid jij in de woordbetekenis van ‘trefwoord’?
  4. Hoe zou jij het begrip ‘trefwoord’ uitleggen, rekening houdend met de woordenschatopbouw?
  5. Hoe gaat Noortje te werk bij het uitleggen van het vakbegrip ‘trefwoord’?

Taalcompetenties

3. Mondelinge opdrachten geven 

De leraar kan mondeling opdrachten geven met betrekking tot klasmanagement en taakuitvoering.

 Noortje heeft op een adequate wijze de opdracht (6 uit het taalboek) geanalyseerd. Ze schat in dat het opzoeken van woorden in het woordenboek nog enige extra toelichting vraagt. Daarvoor is met name de uitleg van het begrip ’trefwoord’ bedoeld.

 Noortje verwoordt de opdracht op een begrijpelijke manier. In de uitleg van het begrip ‘trefwoord’ vraagt zij (kort) naar voorkennis van de leerlingen. In de toelichting op de opdracht uit het taalboek is zij helder over wat zij van de leerlingen verwacht en hoelang ze daarover mogen doen.

 In de uitleg van het begrip ‘trefwoord’ gebruikt Noortje voorbeelden. Bij de toelichting op de opdracht uit het taalboek doet ze dat niet. Noortje had één van de woorden uit het boek als voorbeeld kunnen voordoen, inclusief het feitelijk opzoeken in het woordenboek.

 Tijdens het geven van de opdracht maakt Noortje effectief gebruik van non-verbale ondersteuning. Het begrip ‘trefwoord’ schrijft ze op het bord. Bij de toelichting van opdracht 6 verwacht ze adequaat naar het boek. Bijvoorbeeld: in dat gele vakje onderaan de opdracht.

 Ten slotte controleert Noortje of de leerlingen de opdracht hebben begrepen: "En zijn er nu nog vragen over die opdracht?"