Reflectiegesprekken biologie over vakspecifiek schrijven en denken

Twee groepjes leerlingen (4 havo/4 vwo) en een docent bespreken welke specifieke kennis er vereist is voor het schrijven van een verslag over een biologieproef.

Beschrijving onderwijssituatie

Op het Montessori College te Nijmegen hebben leerlingen voor het vak biologie een practicum uitgevoerd en daarover een verslag geschreven. In het practicum werd onderzocht wanneer er grensplasmolyse optreedt als een aardappel in een zoutoplossing wordt gedaan. Het was niet de eerste keer dat deze leerlingen een verslag moesten schrijven. Het was wel de eerste keer dat ze voorafgaand aan de proef een theoretische verhandeling, onderzoeksvraag, hypothese en werkplan moesten opstellen. In de praktijk gebeurde dat vaak achteraf.

De leerlingen werkten samen in groepjes en daarover werden zij achteraf geïnterviewd door Piet-Hein, verbonden aan het Instituut voor Leraar en School (ILS) van de Radboud Universiteit Nijmegen.

Hieronder zijn drie videofragmenten opgenomen die betrekking hebben op het verschil tussen het schrijven van een verslag voor biologie en voor andere vakken als ‘mens en maatschappij’ (meisjes uit 4 VWO in fragment 1) en Nederlands (jongens uit 4 HAVO in fragment 2). In fragment 3 geeft de biologiedocent aan waarom hij het schrijven van een verslag zo belangrijk vindt.

Kijkvragen

  1. Fragment 1: Welke verschillen noemen de meisjes tussen (het schrijven van) dit verslag over de biologieproef en verslagen voor ‘mens en maatschappij’?
  2. Fragment 1: Zijn de meisjes in staat een definitie te geven van een natuurwetenschappelijk denkmodel? In hoeverre wel/niet?
  3. Fragment 2: Welke verschillen noemen de jongens tussen (het schrijven van) dit verslag over de biologieproef en boekverslagen voor Nederlands?
  4. Fragment 3: Wat is volgens de docent de beste manier om kennis te verwerven, als leerlingen een dergelijke proef doen?


Videofragmenten



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Fragment 3

Klik hier voor het transcript bij fragment 3.

Materialen

Richtlijnen bij het schrijven van het practicumverslag die de leerlingen hebben gevolgd.

Opdrachten

  1. Lees de richtlijnen die de leerlingen hebben gevolgd bij het schrijven van het practicumverslag en beargumenteer of je snapt dat de leerlingen uit fragment 1 en 2 wel een beetje maar niet precies kunnen uitleggen wat het verschil is voor het schrijven van een verslag voor biologie of voor Nederlands.
  2. Verzamel een aantal schrijfopdrachten en uitwerkingen ervan door leerlingen voor je eigen vak. Bekijk ze en beantwoordt de volgende vragen: 
  • Welke vaktaalwoorden staan in de opdrachten en worden dus als bekend verondersteld bij de leerlingen? 
  • In hoeverre vragen de opdrachten van de leerlingen om in hun teksten vakspecifieke begrippen te gebruiken?
  • Wordt in de schrijfopdracht een beroep gedaan op vakmatig redeneren? Waar en hoe? 
  • In hoeverre vertoont de beoogde tekst (het product) vakspecifieke kenmerken?

 3.   De biologiedocent legt in fragment 3 uit dat hij door leerlingen te laten schrijven (= een vorm van actieve taalproductie)    ze vakkennis laat verwerven. Waaraan merkte de docent bij de leerlingen dat deze methode volgens hem werkt?

Kennisbasis

  1. De meisjes spreken in fragment 1 over vakmatig redeneren binnen het vak biologie. Leg uit wat hoe vakmatig redeneren een rol speelt bij het schrijven van een verslag van een biologieproef.
  2. De jongens spreken in fragment 2 over tekstsoorten. Denk jij dat het bij het verslag van een biologieproef zal gaan om een uiteenzetting, beschouwing of betoog?Licht je antwoord toe.
  3. Welke tekstsoorten schrijven leerlingen voor jouw vak regelmatig en waarom juist die tekstsoort?
  4. De biologiedocent legt in fragment 3 uit dat hij door leerlingen te laten schrijven= actieve taalproductie ze vakkennis laat verwerven. Leg uit hoe cognitieve taalfuncties hierbij een rol kunnen spelen.
  5. Wat moet volgens jou een vakdocent weten van onderstaande onderwerpen om deugdelijke schriftelijke verwerkingsopdrachten aan zijn leerlingen te kunnen aanbieden?

6. Vind je dat die kennisbasis identiek moet zijn voor een docent Nederlands en voor docenten van andere vakken? Zie: samenwerking Nederlands en andere vakken.

Taalcompetenties

Aansluitend bij vraag 5 en 6 bij het onderdeel kennisbasis dat gaat over de vereiste kennisbasis op het gebied van schrijven: in de docentcompetenties voor eerstegraads leraren wordt verwoord welke competenties docenten van alle vakken op dit gebied zouden moeten bezitten. 

Bekwaamheidseis 10: Vakinhoudelijke en didactische competentie Vereisten Kennis

Heeft kennis van de invloed van taalbeheersing en taalverwerving op het leren en weet daar in de praktijk rekening mee te houden.

Het kunnen geven van goede schrijfopdrachten aan leerlingen

Het kunnen schrijven van een deugdelijke handleiding

Het kunnen geven van feedback op product en proces

Het leerlingen kunnen verduidelijken hoe en waarom ze commentaar kunnen geven op elkaars teksten.

Het kunnen beoordelen van een originele tekst en de herschreven versie(s).

Het kunnen verwerken van kritiek op een tekst.