Debat over hoofddoekjes

Beschrijving onderwijssituatie

In een 4 havo klas wordt een debat gevoerd over de stelling 'Hoofddoekjes moeten verboden worden'. In het debat zitten twee groepen leerlingen tegenover elkaar: links de tegenstanders van de stelling, rechts de voorstanders. Leerlingen gaan staan als zij iets willen zeggen en een voorzitter bewaakt het proces. Tussen de tegenstanders van de stelling zit Eva, zij draagt zelf een hoofddoek.
In het debat oefenen de leerlingen een bepaalde gespreksvorm, waarin argumenten voor en tegen elkaar afwisselen. Daarnaast verkennen de leerlingen al discussiërend een actueel maatschappelijk verschijnsel: hoofddoekjes. Dit gesprek zou je dus zowel in een les Nederlands als in een les maatschappijleer kunnen aantreffen.

Kijkvragen

  1. Het debat start met vier argumenten voor het verbod op hoofddoekjes:
    1. Buitenlanders moeten zich aanpassen en de hoofddoek belemmert die integratie.
    2. Door de hoofddoek ontstaat ongewenste groepsvorming.
    3. De hoofddoek maakt vrouwen onherkenbaar.
    4. Het openlijk uitdragen van religie is opdringerig naar anders denkenden.
    Welke argumenten zetten de tegenstanders hier tegenover?
  2. De tegenstanders van het verbod starten met het 'keuzevrijheid'-argument. Welke argumenten zetten de voorstanders hier tegenover?
  3. Welke verschillen zie je (hoor je) tussen de startspreker van de voorstanders (Nadia) en de startspreker van de tegenstanders (Irena)? Let daarbij op zaken als lichaamshouding, spreektempo, articulatie, woordgebruik en afstemming op de gesprekspartners.


Videofragment



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Kennisbasis

  1. In het onderwijs onderscheiden we verschillende gesprekssoorten (genres). Met welke gesprekssoort hebben we in dit fragment te maken? Licht je antwoord toe.
  2. Leg uit waarom we in dit stukje onderwijs te maken hebben met een functionele spreektaak.
  3. De leerlingen discussiëren over het verbod op hoofddoekjes. Laat aan de hand van twee voorbeelden uit het fragment zien dat hier sprake is van betekenisonderhandeling.
  4. In hun verkenning van het verbod op hoofddoekjes maken de leerlingen gebruik van verschillende cognitieve taalfuncties. Laat aan de hand van voorbeelden uit het fragment minimaal twee verschillende cognitieve taalfuncties zien.
  5. De term 'hoofddoekje'  kan gebruikt worden in zowel een alledaagse context als een meer schoolse context; in dat laatste geval spreken we van school- en vaktaal. Laat aan de hand van drie voorbeelden zien dat er in dit gesprek juist sprake is van schooltaal.
  6. De leerlingen in deze klas hebben verschillende taalachtergronden. Leg uit hoe een leraar maatschappijleer door het organiseren van een dergelijk debat omgaat met verschillen in mondelinge vaardigheden van zijn leerlingen.
  7. De leerlingen in deze klas hebben verschillende culturele achtergronden. Vind je dat er in dit debat sprake is van interculturele communicatie? Licht je antwoord toe.

Referentiekader Taal

In het Referentiekader Taal wordt voor mondelinge taalvaardigheid onder andere de volgende taak genoemd: De leerling kan actief deelnemen aan discussies en debatten over onderwerpen van maatschappelijke aard (3F). Het debat over het verbod op hoofddoekjes is een 'school'-voorbeeld van zo'n mondelinge taak op 3F-niveau.
Of de leerlingen ook daadwerkelijk op niveau 3F presteren hangt af van de kwaliteit van hun deelname aan het debat. Deze kan onder meer beoordeeld worden op de punten: samenhang, afstemming op gesprekspartner en woordgebruik.
Bijdrage aan samenhang toont de leerling door:
• met een juiste frase aan het woord te komen (bijvoorbeeld: "Ik wil even ingaan op wat zojuist is gezegd over…..")
• een passende frase te gebruiken om tijd te winnen en de beurt te behouden (bijvoorbeeld: ''…en daar komt nog bij dat….'')
Afstemming op de gesprekspartner toont de leerling door:
• zo nodig te vragen om meer informatie of naar de bedoeling (bijvoorbeeld: ''Wat bedoel je eigenlijk met ..?'')
• te reageren op non-verbale signalen
Adequaat woordgebruik toont de leerling door:
• te variëren in formuleringen
• meestal de juiste woorden te kiezen, met een enkele vergissing
Vergelijk de drie met name genoemde leerlingen in het debat (Nadia, Irena en Eva) op bovenstaande kenmerken van de taakuitvoering. Gebruik daartoe deze matrix en scoor met ++, +- en --. Licht je scores toe met voorbeelden uit het fragment.