Reflectiegesprek lio Nederlands met leerling uit Sri Lanka

Een lio Nederlands bespreekt met zijn leerling uit 3 vwo, een neveninstromer uit Sri Lanka, haar uitspraak en tekstbegrip aan de hand van een hard-op-leesopdracht.

Beschrijving onderwijssituatie

Sjoera komt uit Sri Lanka. In 2005 is ze op twaalfjarige leeftijd naar Nederland gekomen. Ze is daarmee een zogeheten neveninstromer in het Nederlandse onderwijs. Op het tijdstip van deze video is Sjoera vijftien en zit ze in 3 vwo. In fragment 1 praat ze met Ruben, een lio Nederlands,over haar taalvaardigheid in het Nederlands. In fragment 2 leest ze hardop een tekst uit haar methode Nederlands voor, die voor haar moeilijk was om te begrijpen.

Kijkvragen

  1. Fragment 1: Wlke problemen zegt Sjoera met de Nederlandse taal te hebben?
  2. Fragment 2: Pint de tekst die Sjoera voorleest en noteer, terwijl je het fragment beluistert, welke woorden Sjoera moeilijk vindt om uit te spreken en te begrijpen.


Videofragmenten



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2

(Sjoera leest de tekst uit haar methode hardop voor. Zie 'materialen' voor de tekst).

Materialen

Opdrachten

  1. Fragment 1: Wt vind je van de uitspraak van Sjoera?
  2. Fragment 2: Bj welk type woorden maakt Sjoera vooral fouten? Waar zou dat aan liggen, denk je? 
  3. Lees de analyse, die de lio heeft gemaakt over de taalvaardigheid van Sjoera (zie onder materialen). Welk element uit deze analyse is voor jou het meest van belang met het oog op jouw eigen lesgeven? Leg ook uit waarom je dat vindt. 
  4. Praktijkopdracht: laat een meertalige leerling van jouw school een Nederlandse tekst (bijvoorbeeld uit zijn/haar schoolmethode) hardop voorlezen. Kies de tekst zorgvuldig uit. Bekijk eventueel vooraf van welke woorden je verwacht dat ze problemen opleveren. Noteer de woorden die de leerling verkeerd uitspreekt of waar het lezen hapert. Probeer te achterhalen welke problemen ten grondslag liggen aan de verkeerde uitspraak van elk woord. Vraag de leerling naar de betekenis van deze woorden. Welke strategieën past de leerling toe om de betekenis van de lastige woorden te achterhalen? Hoe kun jij de leerling helpen bij het beter begrijpen van de (vak)tekst?

Kennisbasis

  1. Lees wat er bij de theorie wordt gezegd over het subdomein spreken. Vind jij dat er voor het eerstegraads gebied bij dit concept ook moet worden ingegaan op het aspect uitspraak? Waarom wel of niet?
  2. De lio geeft feedback (zie feedback geven) op de spraak- en taalvaardigheid van Sjoera. A) In fragment 1: “Je spreekt goed Nederlands he?” Vind jij dat ook? Waarom zou de lio hier deze opmerking maken? B) Wat vind je van de wijze waarop de lio feedback geeft tijdens het voorlezen van de tekst in fragment 2? Zou jij het anders doen? Waarom en hoe dan?
  3. Welke aspecten van het leesproces zijn volgens jou aan de orde bij de hard-op-lees-opdracht in fragment 2?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individuele als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Subdoelen:

1.2 De leraar kan goede gesprekken voeren in functie van het doel en de inhoud van het gesprek én aangepast aan het taalvaardigheidsniveau van de leerlingen.

3. feedback geven op de talige uitingen (…) van leerlingen:

  • verschillende soorten feedback geven (zowel impliciet en/of expliciet als gericht op inhoud en/of vorm), afhankelijk van het doel en de situatie;
  • aangepaste feedbackstrategieën hanteren zoals bevestigen, om verduidelijking vragen, verbeterd herhalen, uitbreiden van de inhoud.

 Lio Ruben geeft zowel in fragment 1 als 2 feedback op de taalvaardigheid van Sjoera. Hij doet dat op verschillende manieren en lijkt daarmee ook uiteenlopende doelen na te streven. Zo geeft hij expliciete feedback: "Je spreekt goed Nederlands hè?" (fragment 1) en impliciete feedback: het herhalen van een woord in de juiste uitspraak (fragment 2). In het eerste geval probeert Ruben mogelijk met zijn feedback te werken aan een goede verstandhouding en werksfeer (interpersoonlijk competent). In het tweede geval lijkt hij vooral gericht te zijn op het verbeteren van de uitspraak en het tekstbegrip van de leerling (vakinhoudelijk en didactisch competent).