Give me 5 - vragen in de economieles

Beschrijving onderwijssituatie

Een leraar Economie introduceert in vwo 5 een werkwijze bij zijn leerlingen  waarmee ze toets- en examenvragen gerichter kunnen lezen. Hij noemt deze aanpak ‘Give me 5’: de leerlingen moeten in vijf stappen de vraag ontleden, de gebruikte vakbegrippen definiëren en  een antwoord formuleren. Na een klassikale uitleg waarin een voorbeeldvraag wordt besproken (fragment 1), gaan de leerlingen zelf aan het werk (fragment 2).

Kijkvraag

Let in beide fragmenten op de sprekers:  

  • Wie is met name aan het woord? 
  • Hoe nemen anderen het woord over?
  • Welke belangrijke verschillen zie je tussen de verschillende gesprekssituaties?
  • Hoe zou je de verschillende typen gesprekken die je ziet kunnen noemen?


Videofragmenten



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij fragment 1.

Fragment 2

Klik hier voor het transcript bij fragment 2.

Materialen

Opdracht

Beschrijf kort welke gespreksvormen zich in jouw lespraktijk veel voordoen en hoe die gemiddeld in een lesuur over de tijd verdeeld zijn. Zou dat ook anders kunnen? Hoe dan?

Kennisbasis

  1. Bekijk het filmpje met de werkende leerlingen waarbij de leraar komt helpen nog een keer en stel daarna vast welke gespreksdoelen je kunt onderscheiden.
  2. Zie je bij de werkende leerlingen cognitieve taalfuncties terug? Geef enkele voorbeelden hiervan en stel vast of de desbetreffende manier van redeneren ze moeilijk of makkelijk af gaat.
  3. Je ziet in de getoonde fragmenten een aantal verschillende gesprekssoorten (genres) terug. Welke herken je? Wat vind je van deze afwisseling? Wat vind je van het rendement van deze afwisseling in gespreksvormen?
  4. Welke van de beschreven gesprekssoorten pas je zelf toe in je lessen? Hoe vaak? Zie je mogelijkheden om het aantal gesprekssoorten in je les te vergroten?
  5. De docent laat de leerlingen samenwerkend leren. Aan welke gegeven voorwaarden is in fragment 2 wel of juist niet voldaan, en kun je beschrijven wat de werkvorm bijdraagt aan ontwikkeling van mondelinge taalvaardigheid?
  6. Vergelijk de manier waarop in beide fragmenten betekenisonderhandeling gestalte krijgt. Wat levert het meeste op? Wat vind je van de manier waarop de leraar in deze lessen betekenisonderhandeling organiseert