Losse en vaste stof in de scheikundeles

Beschrijving onderwijssituatie

Scheikundedocent in opleiding Harold heeft in zijn eerste lesjaar een gesprek met een leerling uit 4 vwo over zijn invulling van het vakbegrip ‘vaste stof’. Het gaat om een practicum zouten in 4 VWO. Er wordt gewerkt in tweetallen. Eén van de proefjes betreft het bijeenvoegen van enkele milliliters van oplossingen van lood(II)nitraat en kaliumjodide in een reageerbuis. Bij het samenvoegen van deze twee heldere, kleurloze oplossingen ontstaat een gele troebele vloeistof.

Oriëntatievragen

  1. Is er volgens jou in dit fragment sprake van het gebruik van vakbegrippen uit de scheikunde; indien ja: welke?
  2. Hoe vind je dat de docent reageert op de inbreng van de leerling?

Transcript

Klik hier voor het transcript van de les.

Opdrachten

  1. Vind je dat er sprake is van spreken met de leerling door de docent of van spreken tegen de leerling? Wat vind je daarvan?
  2. Hoe stelt de docent in dit lesfragment het vakbegrip ‘vaste stof’ aan de orde?

Kennisbasis

  1. Hoort het begrip ‘vaste stof’ tot de vaktaalwoorden van het vak scheikunde? Waarom vind je dat?
  2. Zou je zeggen dat er sprake is van een pre- of misconcept bij Toine en zijn begrip ‘losse stof’? Licht je antwoord toe met gedeelten uit het  transcript.
  3. Eén aspect van de verwerving van vakbegrippen is de uitdieping van de betekenis van woorden die leerlingen al kennen in een andere context. Welke betekenis van ‘vast’ heeft Toine in het voorbeeld al paraat? Op welke manier wordt het verder uitgediept?
  4. Het didactisch model woordenschatuitbreiding bestaat uit verschillende stappen: voorbewerken, semantiseren, consolideren, controleren. Welke herken je in dit fragment en op welke plek?
  5. Kun je de relatie tussen cognitieve ontwikkeling en taal uitleggen aan de hand van dit transcript?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individuele als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Leren houdt in dat je taal verwerft om nieuwe inzichten te verwoorden. Wanneer je niet zelf actief betrokken bent in dit verwervingsproces, kom je slechts tot napraten van van buiten geleerde kennis, zonder dat je dit in een nieuwe situatie productief kunt gebruiken. Als docent sta je daarom altijd voor de keuze om ofwel leerlingen als volwaardige gesprekspartner mee te laten zoeken naar nieuwe woordbetekenissen, ofwel jezelf in een overdrachtssituatie te plaatsen en leerlingen de ‘nieuwe’ taal aan te reiken. Vaak menen mensen dat de tweede manier ‘efficiënter’ is, maar ze vergeten daarbij dat het de bedoeling is dat de lerenden komen tot productief taalgebruik. Door ze wel mee te nemen in de betekenisontwikkeling, waarbij je als docent dus moet ingaan op de inbreng van de leerlingen, heb je grotere kans dat er een blijvend onderwijsresultaat wordt behaald.