Een lesprotocol over woordbetekenissen in een natuurkundeles

Natuurkundedocent Michiel geeft aan de leerlingen een (verwarrende) uitleg van het begrip ‘significante cijfers’.

Beschrijving onderwijssituatie

Natuurkundedocent Michiel is al geruime tijd werkzaam op een scholengemeenschap. Hij geeft les aan zijn 3 vwo-klas. De klas heeft al eerder natuurkundelessen gehad van Michiel over significante cijfers. In dit gedeelte van het lesprotocol vervolgt de docent zijn uitleg over het begrip significante cijfers.

NB: zie voor het complete transcript en uitgebreide opdrachten en analyse de uitwerking van dit praktijkvoorbeeld bij goede opleidingspraktijken.

Lesprotocol

Klik hier voor het transcript bij het protocol.

Materialen

  • Het lesprotocol is afkomstig uit de doctoraalsciptie Waarom zegt u niet of het goed is…?, Taalgericht vakonderwijs van Carel van Nisselroy, Vakgroep Nederlands Radboud Universiteit, augustus 2007.
  • De analyse van het protocol en de daarbij gemaakte vragen en opdrachten zijn van de hand van Michiel Vogelezang, Instituut voor Leraar en School, Radboud Universiteit Nijmegen.

Opdrachten

  1. Becommentarieer de vraag van de docent in regel 168-170.
  2. Regel 192 – 199 lijkt heel duidelijk aan te geven dat de leerlingen wel weten wat ze geacht worden te antwoorden, maar het niet begrijpen. Licht dit toe.
  3. De docent zegt in regel 199 "We gaan door". Vind je dat een verstandige beslissing waarom wel of niet?
  4. Wat is er volgens jou in dit fragment aan de hand op het gebied van begripsontwikkeling?

Kennisbasis

  1. Hoort het begrip ‘significant cijfer’ tot de vaktaalwoorden van het vak natuurkunde? Waarom vind je dat?
  2. De docent probeert het vakbegrip ‘significant cijfer’ uit te leggen (zie vakbegrippen uitleggen) uit te leggen. Hoe doet hij dat? Hoe zou hij het volgens jou anders (en beter) hebben kunnen doen?
  3. Kun je de relatie tussen cognitieve ontwikkeling en taal uitleggen aan de hand van dit transcript?

Taalcompetenties

1: Gesprekken voeren met leerlingen

De leraar kan gesprekken voeren met leerlingen als volwaardige gesprekspartners, zowel individuele als in een groep, over onderwerpen die door alle partners aangebracht kunnen worden, en in het bijzonder over leerinhouden. De gesprekken komen de totale ontwikkeling van de leerlingen, en in het bijzonder hun taalontwikkeling, ten goede.

Subdoel 1.1. 

De leraar kan analyseren welke talige acties van hem (zoals het stellen van vragen en het geven van antwoorden en feedback) aan het gespreksdoel voldoen.
Mogelijke doelen zijn:

  • Realiseren van een bepaalde leerinhoud in een betekenisonderhandelingsgesprek.

 De docent is al geruime tijd bezig om het begrip ‘significante cijfers’ uit te leggen. De leerlingen geven er blijk van het niet te snappen, maar proberen het wel (zie Maud in regel 196). Een betekenisonderhandelingsgesprek lijkt niet goed mogelijk, omdat de docent niet lijkt te beseffen dat de leerlingen andere concepten in hun hoofd hebben dan hijzelf en dat ze zijn uitleg niet snappen (zie: "We gaan door" in regel 199).