Vaktaalgebruik door leerlingen kunstgeschiedenis

Beschrijving onderwijssituatie

In dit fragment zien we drie leerlingen uit vwo 4. Zij hebben zojuist een klassikale uitleg van de leraar gehad over romaanse en gotische architectuur, schilderkunst en beeldhouwkunst. Vervolgens krijgen ze de opdracht om in kleine groepjes een werkblad in te vullen met daarop de werkvorm van een ‘Welk Beeld/Woord Weg’, waarbij ze de uitgelegde vakbegrippen moeten toepassen. In de vervolgles gaan ze verder met een tentoonstelling over het onderwerp.

Kijkvragen

  1. Welke vakbegrippen worden door de leerlingen gebruikt?
  2. Over welk(e) begrip(pen) is er onduidelijkheid bij de leerlingen?
  3. In hoeverre worden er meerdere mogelijke antwoorden op de vragen overwogen en ontstaat er discussie?


Videofragment



Fragment 1

Klik hier voor het transcript bij het fragment.

Opdrachten

  1. Wat is er volgens jou in het fragment aan de hand rond de betekenis van het begrip ‘diepgang’?
  2. Wat vind je van de werkvorm ‘Welk Beeld/Woord Weg’ om leerlingen te stimuleren om zelf vakbegrippen te gebruiken? Waarom vind je dat?
  3. Denk je dat de leerlingen na deze werkvorm een beter begrip hebben van de vakbegrippen? Waarom wel of niet?
  4. Wat doe jij zelf in je les om het gebruik van vakbegrippen door de leerlingen te stimuleren?
  5. Pak je eigen lesmethode en selecteer daaruit twee vakbegrippen. Bedenk hoe je de betekenis hiervan kunt uitleggen en hoe je je leerlingen zelf met die begrippen kunt laten werken.

Kennisbasis

  1. Lees de lemma’s verwerving vakbegrippen en woordleerstrategiëen en leg uit hoe in de lesopzet van de leraar wordt gewerkt aan de verwerving van vakbegrippen:
    A) van receptief naar productief gebruik;
    B) van passief aanhoren naar zelf toepassen, zowel schriftelijk als mondeling.
  2. Lees het lemma woordenschatopbouw en leg uit hoe door de werkvorm ‘Welk Beeld/Woord Weg’ betekenisrelaties tussen de vakbegrippen worden gelegd.
  3. Lees de lemma’s woordbetekenis en vaktaalwoorden en pas de daar gegeven informatie over het verschil tussen de betekenis van een woord in het dagelijks leven en een specifieke betekenis in een bepaald vakgebied, toe op het woord ‘miniatuur’ in het fragment.
  4. Lees het lemma pre- en misconcepten en leg uit wat er volgens jou aan de hand is met de betekenis van het woord ‘diepgang’ in het fragment.
  5. Lees de lemma’s woordleerstrategiëen en didactisch model woordenschatuitbreiding. In dit fragment worden de leerlingen gestimuleerd om vakspecifieke begrippen te gebruiken. Op het werkblad wordt een aantal van deze begrippen reeds gegeven, maar bij de afbeeldingen moeten de leerlingen zelf de juiste begrippen toepassen. Leg uit om welke fase van het didactisch model woordenschatuitbreiding het hier gaat.

Taalcompetenties

1: Schriftelijk vragen en opdrachten formuleren

De leraar kan schriftelijk vragen en opdrachten formuleren met betrekking tot klasmanagement en taakuitvoering.

Subdoelen:

4.1 De leraar kan analyseren welke vragen en opdrachten hij moet formuleren en hoe hij die moet formuleren om zijn doel te bereiken.
4.2 De leraar kan de vragen en opdrachten begrijpelijk en correct formuleren aangepast aan het doel en aan het begripsniveau en de leesvaardigheid van de leerlingen.
Begrijpelijk formuleren betekent keuzes maken aangepast aan het doel en de leerlingen op het vlak van:
• vraagstelling (meerkeuze,…) en opdrachtformulering;
• al dan niet geven van voorbeelden;
• al dan niet gebruiken van een stappenplan;
• al dan niet voorstructureren van het antwoord;
• al dan niet gebruik maken van non-verbale middelen, bijvoorbeeld afbeeldingen,pictogrammen, schema’s,... (Zie ook: visuele weergave van denkrelaties).

De leraar heeft met de werkvorm ‘Welk Beeld/Woord Weg’ gekozen voor een vorm waarbij de leerlingen direct de zojuist opgedane kennis/vakbegrippen gaan verwerken, toepassen en gebruiken. Doordat de leerlingen de gemaakte keuzes onderling moeten bespreken en schriftelijk moeten beargumenteren, draagt deze opdracht bij aan een dieper begrip van de vakbegrippen. De leraar gebruikt deze werkvorm vaker als ze kenmerken van kunststromingen behandelt.

 

** Met dank aan Leraar in Opleiding (LIO) kunstgeschiedenis Irene Tielemans van het Instituut Leraar en School van de Radboud Universiteit Nijmegen. LEONED  mag dit opleidingsmateriaal gebruiken met toestemming van haar en de gefilmde leerlingen van haar stageschool.